
Wil je graag het evangeliecommentaar dagelijks in je mailbox? Schrijf je dan in op onze dagelijkse nieuwsbrief onderaan de homepagina.

Wil je graag het evangeliecommentaar dagelijks in je mailbox? Schrijf je dan in op onze dagelijkse nieuwsbrief onderaan de homepagina.
Vrijdag (13/03/2026)
Mc.12,28b-34
28 Er kwam een schriftgeleerde bij hem die vroeg:
“Wat is de eerste wijzing [het voornaamste gebod] van alle wijzingen [geboden]?”
29 Jezus antwoordde hem:
“De eerste van alle wijzingen is:
Luister, Israël,
de Heer is onze God, de Heer is één.
30 Je zult de Heer je God daad-werkelijk liefhebben,
uit geheel je hart, uit geheel je geest,
uit geheel je verstand en uit geheel je kracht. [Deut.6,4-5]
Dit is de eerste wijzing.
31 De tweede, gelijke, is:
Je zult wie jou nabij komt
daad-werkelijk liefhebben als jezelf. [Lev.19,18]
Een andere wijzing, groter dan deze, is er niet.”
32 De schriftgeleerde zei hem nu:
“Goed, meester, het is waar wat je zegt:
God is één en er is geen ander behalve hem,
33 en hem daad-werkelijk liefhebben
uit geheel je hart, uit geheel je geest,
uit geheel je verstand en uit geheel je kracht,
en wie je nabij komt daad-werkelijk liefhebben als jezelf,
dat is méér dan alle brandoffers en andere gaven.”
34 Jezus zag dat hij wijs had geantwoord en zei hem:
“Je bent niet ver van het koningschap van God.”
En niemand durfde hem nog een vraag stellen.
Wanneer een jood zijn ‘talit’ (gebedssjaal) omdoet en de ‘tzitzit’ (de franjes) ziet — acht draden, vijf knopen — herinnert hij zich de 613 geboden die, volgens de Talmoed, aan Mozes werden toevertrouwd. Zoveel woorden, zoveel wegen waardoor vanzelf de vraag opduikt: wat is het belangrijkste?
En deze vraag komt naar ons terug: wat is voor jou het belangrijkste in het leven?
Wanneer men ze aan Jezus stelt, antwoordt hij eenvoudig: luisteren en beminnen. En daarbij verbindt hij de liefde tot G-d aan de liefde tot de mens. G-d liefhebben met heel je hart, je ziel en je verstand — en daaraan gelijk: je naaste liefhebben als jezelf. Ze zijn één beweging en de basis daartoe is Luisteren. “Luister, Israël…” Het eerste is luisteren: je openen, aandachtig worden, je laten raken. Daar begint alles.
Wie werkelijk luistert, leert beminnen. En wie bemint, draagt het wezenlijke reeds in zich.
Donderdag (12/03/2026)
Lc.11,14-23
14 Eens dreef Jezus een demon uit die stom was.
Toen de demon verdreven was, kon de stomme weer spreken.
De omstaanders verwonderden zich daarover.
15 Sommigen zeiden:
“Het is door Beëlzebul, de heerser van de demonen,
dat hij demonen kan uitdrijven!”
16 Anderen – om hem op de proef te stellen –
verlangden van hem een teken uit de hemel.
17 Maar hij wist welke gedachten bij hen leefden
en zei daarom:
“Elk koninkrijk dat innerlijk verdeeld is,
raakt verwoest; het ene huis valt op het andere.
18 Als nu de tegenstander [satan] zelf innerlijk verdeeld is,
hoe kan zijn koninkrijk dan standhouden?
Want jullie zeggen dat ik door Beëlzebul demonen uitdrijf.
19 En als ik ze door Beëlzebul uitdrijf,
door wie drijven jullie zonen ze dan uit?
Als jullie zo redeneren, zullen zij zelf jullie rechters zijn.
20 Maar als ik door Gods kracht de demonen uitdrijf,
dan heeft het koninkrijk van God jullie bereikt!
21 Wanneer een sterke goed bewapend zijn domein bewaakt,
dan is wat hem lijkt toe te behoren in vrede.
22 Maar zodra nu iemand komt die sterker is dan hij,
overwint hij hem,
ontneemt hem de wapenrusting waarop hij vertrouwde
en geeft weg wat hij op hem heeft buitgemaakt.
23 Wie niet mét mij is, is tegen mij,
en wie niet met mij bijeenbrengt, die verstrooit.
Jezus’ doen en laten wekt verwondering. En toch worstelen mensen met de genezende kracht die zij in Jezus ontwaren. Hij opent wat gesloten was en geeft stem aan wie monddood werd gemaakt. Zijn helende kracht roept vragen op: komt zij uit het duister of uit het Licht?
Dan klinkt zijn eenvoudig, helder antwoord: een kracht die zichzelf verdeelt, valt uiteen. Wat in strijd is met zichzelf, verliest zijn grond. Wie leeft in innerlijke verdeeldheid, raakt los van zijn eigen hart — en van de ander.
Hoe bewaak jij jouw domein? Met wapens van angst en eigen gelijk, of met Liefde — met G-d? Wapens zetten mensen tegenover elkaar, maken van buren vreemden en van volken vijanden. Liefde daarentegen is een grotere kracht, ook al is ze stiller. Zij geneest en verbindt. Zij herinnert ons eraan dat wij als broers en zussen leven onder dezelfde hemel.
Die goddelijke kracht is geen bezit van enkelen. Zij vraagt geen grootse woorden of vrome voornemens, maar een keuze die elke dag opnieuw geboren wordt: je laten bevrijden van wat verdeelt, en leven in verbondenheid — midden tussen de mensen, waar het heilige zich onopvallend openbaart.
Woensdag (11/03/2026)
Mt.5,17-19
17 “Denk niet dat ik gekomen ben
om de wet en de profeten te ontbinden.
Ik ben niet gekomen om te ontbinden,
maar om te vervullen.
18 Amen, ik zeg jullie:
Totdat hemel en aarde voorbijgaan,
zal niet de kleinste letter van de wet voorbijgegaan zijn
– totdat alles is gebeurd.
19 Wie dus ook maar het kleinste van de geboden loslaat
en het zo leert aan de mensen,
zal de kleinste genoemd worden in het koningschap van de hemelen.
Wie ze echter doet en leert,
die zal groot genoemd worden in het koningschap van de hemelen.”
Jezus was een Jood in hart en nieren. Voor hem is de Wet ontzettend belangrijk, niets ervan mag zomaar worden weggelaten. Hij roept zijn leerlingen op om ze te doen en te leren, in die volgorde: al doende leren. De Wet is dus geen theorievak, het is praktijk. We moeten haar daad-werkelijk waar-maken m.a.w. haar werkelijkheid laten worden doorheen alles wat we doen en zeggen.
Voor Jezus gaat de Wet niet over een theorie die moet toegepast worden. Het gaat over leven – leven vanuit Liefde, of concreter: liefdevol aanwezig zijn tussen mensen. Liefde is echter een houding die niet opgelegd kan worden, daartoe kan je alleen maar uitgenodigd worden.
Jezus zelf heeft de volle betekenis van de Wet met heel zijn leven (woord en daad) bekend gemaakt, inhoud gegeven en zo vol-gemaakt. Nu is het aan ons: Doe ook zo. Ga ervoor – voor die goddelijke liefde – maar wel ten volle. Het is alles of niets tot in het kleinste detail.
Dinsdag (10/03/2026)
Mt.18,21-35
21 Petrus kwam naar Jezus en vroeg:
“Heer, hoe vaak mag iemand tegen mij zondigen
om hem nog te vergeven?
Tot zeven maal?” [volgens de Thora: drie of vier maal]
22 Jezus antwoordde hem:
“Niet tot zeven maal, zeg ik je,
maar tot zeventig maal zeven maal!”
23 Zo is het koningschap van de hemelen te vergelijken
met een koning die vereffening wilde vragen van zijn dienaren.
24 Toen hij begon werd iemand bij hem gebracht
die hem tienduizend talenten schuldig was. [= 10.000 x 6.000 daglonen]
25 Omdat hij niets had om te betalen,
beval de heer dat hij, met zijn vrouw, kinderen en al wat hij had,
verkocht zouden worden.
26 Nu viel de dienaar voor hem op zijn knieën en smeekte:
“Wees grootmoedig met mij en ik zal je alles betalen.”
27 De heer werd ten diepste bewogen,
liet de dienaar vrij en schold hem het geleende kwijt.
28 Maar toen die dienaar naar buiten ging,
kwam hij een mede-dienaar tegen die hem honderd denariën schuldig was. [= 100 daglonen]
Hij greep hem bij de keel:
“Betaal wat je me schuldig bent!”
29 De mede-dienaar viel hem aan de voeten en smeekte:
“Wees grootmoedig met mij en ik zal je alles betalen.”
30 Maar hij weigerde.
Integendeel, hij wierp hem in de gevangenis
totdat hij het verschuldigde betaald zou hebben.
31 Andere mede-dienaars zagen dit gebeuren
en waren zo diep geschokt
dat ze het gebeuren aan hun heer gingen melden.
32 Toen riep de heer hem bij zich en zei hem:
“Inrotte dienaar,
heel die schuld heb ik jou kwijtgescholden
omdat je mij dat gesmeekt hebt.
33 Moest je je dan ook niet ontfermen over die mede-dienaar,
zoals ik me ontfermd heb over jou?”
34 En vertoornd leverde de heer hem over aan de folteraars
totdat hij het hele verschuldigde betaald zou hebben.
35 Zo zal ook mijn hemelse Vader met jullie doen
als je niet van harte je mede-mens vergeeft.”
Petrus dacht gul te zijn met zijn vergeving. Meer nog, hij bedóelde gul te zijn! Drie of vier maal vergeven, dat kun je nog bijhouden. Zeven maal, daar raak je al de tel van kwijt. Nee, Petrus bedoelde het werkelijk als gulle vergeving.
Jezus ontkent dat ook niet, maar gaat daar nog ‘superabundant’ overheen: zeventig maal zeven maal. Dat is al helemaal niet meer bij te houden – maar dat is dan ook net níet de bedoeling! Vergeven moet je gewoon doen, altijd opnieuw en voor wat dan ook.
Althans, dat is het goddelijke standpunt. Dat het menselijk allemaal zo simpel niet is, begreep Jezus ook. Zowel het goddelijke als het menselijke standpunt zitten verweven in zijn ‘verhaaltje’, met – zo is Jezus – toch de uitnodiging aan ons, mensen, om te proberen te leven vanuit het goddelijke standpunt.
Daarvoor kan het helpen dichter bij het besef te komen hoe súperabundant G-d óns vergeeft. Reken daartoe maar even het cijfer uit het verhaal uit …
Maandag (9/03/2026)
Lc.4,24-30
24 Daarop zei hij:
“Zeker, ik zeg jullie
dat geen enkele profeet welkom is in zijn vaderstad.
25 Naar waarheid zeg ik jullie:
In de dagen van [de profeet] Elia
waren er veel weduwen in Israël
toen de hemel gedurende drieëneenhalf jaar gesloten bleef
zodat er grote hongersnood kwam over heel het land.
26 Toch werd Elia naar geen van hen gezonden
[om haar te redden van de hongerdood – 1 Kon.17]
maar naar een weduwe is Sarepta bij Sidon [= buiten Israël].
27 En ten tijde van de profeet Elisa
waren er veel melaatsen in Israël.
Toch werd geen enkele van hen gereinigd
maar wel de Syriër [= buitenlander] Naäman.”
28 Allen die in de samenkomst [synagoge] waren
en dit hoorden
raakten overvol woede.
29 Ze stonden op en wierpen hem buiten de stad.
Ze dreven hem naar de rand van de berg
waarop hun stad gebouwd was,
om hem van de steilte te gooien.
30 Maar hij ging midden tussen hen door
en trok weg.
‘Geen sant in eigen land’ is één van de vele uitdrukkingen in ons taalgebied die uit de Bijbel stammen. Geen taalles hier, de link met “geen profeet is welkom in zijn vaderstad” is duidelijk genoeg. De Bijbel weet het, de volksmond weet het, het zal dus ook wel realiteit zijn …
Maar Jezus laat het er niet voor zijn boodschap toch te brengen. Hoezeer ook met pijn in zíjn hart o.w.v. de verhardheid van hún hart, maar het is niet omdat de boodschap niet wil gehoord worden dat ze niet moet verkondigd worden!
Hoever staan wij zelf er mee om een bevrijdende boodschap van samenhorige gerichtheid op de ander te verkondigen in woord en voorál daad, in een wereld die die boodschap niet zal – want niet wil – horen? De pijn om de verhardheid van het hart van onze samen?-leving moeten we willen dragen, om toch te zaaien en verder tot een onbepaalde tijd te wachten op de oogst. De woede – altijd een blijk van onmacht tegen de waarheid – moeten we op onze hals willen halen, maar ze dan van ons afschudden en verder gaan …
Zondag (8/03/2026) – 3de zondag van de Vasten A
Joh.4,5-42
5 Hij kwam in de Samaritaanse stad Sichar,
dicht bij het stuk land
dat Jakob aan zijn zoon Jozef gegeven had. [Gen.33,19; 48,22]
6 Daar was ‘de bron van van Jakob’.
Jezus was vermoeid van de tocht
en ging zitten bij de bron.
Het was ongeveer het zesde uur [= op de middag].
7 Er kwam een Samaritaanse vrouw water putten.
Jezus vroeg haar: “Geef mij te drinken”,
8 want zijn leerlingen waren weggegaan naar de stad
om eten te kopen.
9 Maar de Samaritaanse vrouw zei hem:
“Hoe kun jij, een Jood, te drinken vragen
aan mij, een Samaritaanse vrouw?”
– want de Joden gaan niet om met Samaritanen.
10 Jezus antwoordde haar:
“Als je in kennis was met wat God schenkt
en met wie het is die tegen je zegt ‘geef mij te drinken’,
dan had jij het hém gevraagd
en had hij je levend water gegeven.”
11 Nu zei de vrouw hem:
“Heer, je hebt niet eens een emmer en de put is diep,
vanwaar heb jij dan levend water?
12 Jij bent toch niet groter dan onze vader Jakob
die ons de put gegeven heeft
en zelf, en ook zijn zonen en zijn vee, eruit gedronken heeft?”
13 Jezus antwoordde haar:
“Ieder die drinkt van dit water,
zal opnieuw dorst krijgen,
14 maar wie drinkt van het water dat ik hem zal geven,
zal in de tijden geen dorst hebben,
maar het water dat ik hem zal geven,
zal in hem een bron van opwellend water worden
tot volheid van leven.”
15 Nu zei de vrouw hem:
“Heer, geef mij van dat water,
zodat ik geen dorst [meer] heb
en ik niet [meer] hierheen moet komen om te putten.”
16 Jezus zei haar:
“Ga, roep je man en kom hierheen.”
17 De vrouw antwoordde hem: “Ik heb geen man.”
Jezus zei haar:
“Dat zeg je goed, ik heb geen man,
18 want vijf mannen heb je gehad
en die die je nu hebt, is niet die van jou.
Het is dus waar wat je zegt.”
19 De vrouw zei hem:
“Heer, ik zie dat je een profeet bent.
20 Onze vaderen hebben aanbeden op deze berg,
en jullie zeggen dat Jeruzalem de plaats is
waar moet aanbeden worden.”
21 Jezus zei haar:
“Vertrouw me, vrouw,
er komt een uur
waarop je de Vader zult aanbidden
noch op deze berg noch in Jeruzalem.
22 Jullie aanbidden zonder te weten wat,
wij weten wat we aanbidden,
want de bevrijding komt uit de Joden.
23 Maar er komt een uur – dat is nu –
dat de waarachtige aanbidders
de Vader zullen aanbidden in geest [pneuma] en waarheid,
want de Vader zoekt naar wie hem zó aanbidden.
24 God is geest [pneuma, geestkracht, adem/ruach – wellicht kan hier ook vertaald worden: Geest (pneuma) is God]
en wie hem aanbidden
moeten [dus] in geest [pneuma] en waarheid aanbidden.”
25 De vrouw zei hem:
“Ik weet dat de messias komt,
die genoemd wordt christos [gezalfde: Gr.: christos; Hebr.: messiah]
en wanneer hij komt,
zal hij ons alles verkondigen.”
26 Nu zei Jezus tegen haar: “Ik ben het, die met je spreekt.”
27 Op dat moment kwamen zijn leerlingen
en zij verbaasden zich dat hij met een vrouw in gesprek was.
Niemand echter vroeg: “Wat zoek je?” of “Waarom spreek je met haar?”
28 De vrouw liet haar waterkruik achter
en ging terug naar de stad.
Ze zei tegen de mensen:
29 “Kom mee kijken naar een mens
die alles kon zeggen wat ik heb gedaan.
Zou hij misschien de Gezalfde [christos] zijn?”
30 Ze trokken de stad uit
en gingen naar hem toe.
31 In de tussentijd vroegen zijn leerlingen hem:
“Rabbi, eet iets!”
32 Maar hij zei hen:
“Ik heb voedsel te eten dat jullie niet kennen.”
33 De leerlingen zeiden daarop onder elkaar:
“Niemand heeft hem toch te eten gebracht?”
34 Jezus zei hen:
“Mijn voedsel is
dat ik doe wat de bedoeling is van wie mij gezonden heeft
en ik zijn werk volbreng.
35 Zeggen jullie niet:
‘nog vier maanden en de oogst komt’?
Kijk, ik zeg jullie:
Doe je ogen open en kijk naar de velden:
ze staan al wit [=rijp] voor de oogst.
36 De maaier ontvangt zijn loon al
en verzamelt vruchten tot volheid van leven,
zodat de zaaiende zich tegelijk verheugt met de maaiende.
37 Hierin wordt de spreuk waar:
‘De één zaait, een ander maait.’
38 Ik heb jullie uitgezonden
om te oogsten waar je geen moeite hebt voor gedaan.
Anderen hebben die moeite gedaan
en jullie zijn daarop ingegaan.”
39 Uit die stad
gingen vele van de Samaritanen
in hem geloven
omwille van wat de vrouw getuigde:
‘Hij kon alles vertellen wat ik heb gedaan.’
40 Toen de Samaritanen bij hem waren gekomen,
vroegen zij hem daarom bij hen te blijven.
Hij bleef daar twee dagen
41 en nog veel meer mensen kwamen tot vertrouwen
door zijn woord.
42 Ze zeiden nu tegen de vrouw:
“Wij vertrouwen niet meer [enkel] door jouw spreken,
maar wij hebben hem zelf gehoord
en wij weten dat deze waarlijk de bevrijder van de wereld is.”
Dit gebeuren speelt zich af aan een bron. En niet zomaar een bron, het is de bron van aartsvader Jakob, die symbool staat voor het Verbond dat G-d met zijn volk sloot. En Jezus sluit naadloos bij die traditie aan, maar trekt die door tot in zijn eigen persoon: hijzelf wordt de Bron van levend water; hijzelf is het tastbaar geworden Verbond tussen G-d en mens!
En hoe doet hij dat dan concreet? – en hoe zouden wij dus zelf ook kunnen leven en handelen in de lijn van het Verbond?
Hij treedt verbindend op i.p.v. verdelend. Hij overbrugt de scheidingslijnen die mensen getrokken hebben: tussen Joden en Samaritanen, tussen mannen en vrouwen, tussen wie zichzelf eerzaam vindt en de anderen te ver buiten de lijnen vindt lopen. Op elk van deze punten gaat Jezus de ander tegemoet en creëert op die manier verzoening, waaruit nieuwe gemeenschap kan ontstaan – de gemeenschap van wie “G-d aanbidden in Geest en Waarheid”.
Tussen de lijnen staat ook te lezen dat deze nieuwe gemeenschap misschien wel soms zal samenkomen in een gebouw, maar dat dat gebouw slechts een praktische randkwestie is. Die nieuwe gemeenschap wordt gevormd door wie die innerlijke Bron van verzoening en verbinding ín zich laat opwellen, zodat ze elke dag kan overstromen naar allen om hen heen, zonder onderscheid.
In woestijntijd is het des te belangrijker de Bron te zoeken en te laten opwellen van binnenuit jezelf …
Zaterdag (7/03/2026)
Lc.15,1-3.11-32
1 Wie echter dichterbij kwamen
om inderdaad te luisteren,
waren allemaal ‘tollenaars en zondaars’
[uitschot in andermans ogen].
2 De farizeeën en schriftgeleerden morden daarover:
“Die daar verwelkomt zondaars en eet met hen!”
3 Daarom vertelde Jezus [drie] gelijkenissen tegen hen:
1 1 “Iemand had twee zonen.
12 De jongste zei tegen de vader:
“Vader, geef mij het deel van het vermogen dat mij toekomt.”
En de vader verdeelde zijn bezit onder hen.
13 Niet veel later zamelde de jongste alles bijeen
en trok naar een ver land.
Daar vergooide hij zijn vermogen
met een reddeloos [asotèr / on-be-vrij-d] leven.
14 Toen hij nu alles uitgegeven had,
kwam er een zware hongersnood over dat land
en hij begon gebrek te lijden.
15 Hij ging op zoek en klampte zich vast aan een stedeling,
die hem naar zijn velden stuurde
om varkens te hoeden.
16 Hij wou zelfs zijn buik vullen
met de schillen die de varkens aten,
maar niemand gaf ze hem.
17 Daar kwam hij tot zichzelf en zei:
“Hoeveel dagloners van mijn vader hebben brood in overvloed,
terwijl ik hier om kom van de honger?!
18 Ik zal opstaan,
naar mijn vader gaan en hem zeggen:
“Vader, ik heb gezondigd tegen [mij verwijderd van] de hemel en tegen jou.
19 Ik ben niet meer waard je zoon genoemd te worden.
Maak mij tot één van je dagloners.”
20 En hij stónd op
en ging naar zijn vader.
Toen hij nog ver weg was,
zag zijn vader hem al
en raakte ten diepste bewogen.
Hij snelde op hem af,
viel hem om de hals
en kuste hem hartelijk.
21 Nu zei de zoon tegen hem:
“Vader, ik heb gezondigd tegen [mij verwijderd van] de hemel en tegen jou.
Ik ben niet meer waard je zoon genoemd te worden.”
22 Maar de vader zei tegen zijn knechten:
“Breng snel het voornaamste [= mijn] feestgewaad
en bekleed hem ermee,
geef hem een ring [= familie-zegelring] aan zijn hand
en sandalen aan zijn voeten [= zodat hij als vrij man kan gaan waar hij wil].
23 Breng het vetgemeste kalf en slacht het.
Laten we een feestmaal houden en blij zijn,
24 want deze zoon van mij was dood
en is weer levend geworden,
hij was verloren
en werd teruggevonden!”
En ze begonnen feest te vieren.
25 Nu was zijn oudste zoon op het veld.
Toen hij aankwam en het huis naderde,
hoorde hij muziek en dans.
26 Hij riep een van zijn knechten/jongens
en ondervroeg hem wat dat allemaal was.
27 Die zei nu tegen hem:
“Je broer is teruggekomen
en je vader heeft het vetgemeste kalf laten slachten,
omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekregen.”
28 Hij werd woedend en wilde onder geen beding binnenkomen.
Daarom kwam de vader naar buiten hem tegemoet
en probeerde hem over te halen.
29 Maar hij antwoordde zijn vader:
“Kijk! Al zoveel jaren sta ik jou ten dienste
en nooit heb ik een gebod van jou overtreden,
en aan míj heb je nooit een bokje gegeven
om eens met mijn vrienden feest te vieren.
30 En nu die zoon van jou,
die je vermogen heeft verbrast met hoeren,
teruggekomen is,
slacht je voor hém het vetgemeste kalf.”
31 Maar nu zei hij tegen hem:
“Mijn kind, jíj bent altijd bij mij,
en al wat van mij is, is van jou.
32 Maar er moet feest en blijheid zijn,
want die broer van jou was dood
en is weer levend geworden,
hij was verloren en werd teruggevonden!””
Ook in deze prachtige parabel moet de vraag gesteld worden aan wiens kant wij willen staan; maar hier zijn wel vier kanten.
Liefst staan wij bij de jongste zoon. We houden ervan dat dat de vader ons opwacht en omarmt. We vergeten echter al te makkelijk dat we daarvoor éérst moeten inzien wat een scheefgelopen leven wij tot nu toe hebben geleefd!
Soms staan we ook bij de vader. Dat mag zeker het model worden om met onze medemensen om te gaan. Meer barmhartigheid zou het samenleven alleen maar mooier maken.
Vergeten we de oudste zoon niet! Dat is de plichtbewuste die stipt alles doet wat de vader vraagt, maar tegelijk verstard en verzuurd is geraakt. Is dat niet een houding waar veel Christenen vandaag in terecht zijn gekomen? Maar de barmhartigheid en wijsheid van de vader geldt ook hen.
En de vierde, vraag je je af? Dat zijn de farizeeërs natuurlijk, diegenen op wie we – wellicht ongewild, maar daarom niet minder reëel – meer dan eens toch gelijken. Hoe vaak veroordelen wij niet ‘tollenaars en zondaars’, misschien niet met woorden, maar daarom niet minder in ons hart?! Voor hén vertelt Jezus dit verhaal!