
Wil je graag het evangeliecommentaar dagelijks in je mailbox? Schrijf je dan in op onze dagelijkse nieuwsbrief onderaan de homepagina.

Wil je graag het evangeliecommentaar dagelijks in je mailbox? Schrijf je dan in op onze dagelijkse nieuwsbrief onderaan de homepagina.
Maandag (16/03/2026)
Joh.4,43-54
43 Na die twee dagen vertrok hij vandaar
[na de arrestatie van Johannes de doper, trok hij weg uit Judea, met een oponthoud in Samaria]
en ging naar Galilea,
44 hoewel hij zelf had betuigd
dat een profeet niet wordt geëerd in zijn eigen geboortestreek. [Mc.6,4]
45 Toen hij aankwam in Galilea
werd hij er toch verwelkomd,
want ze hadden alles gezien
wat hij in Jeruzalem op het [Paas]feest had gedaan
– ook zij waren op het feest.
46 Jezus kwam dus weer in Kana van Galilea,
waar hij het water tot wijn had gemaakt.
Er was een koninklijke beambte,
wiens zoon ziek lag in Kafarnaüm.
47 Toen hij hoorde dat Jezus uit Judea naar Galilea was gekomen,
ging hij naar hem toe [Kafarnaüm – Kana = ca. 26km]
en vroeg hem met aandrang naar zijn huis te komen
om zijn zoon te genezen die stervende was.
48 Jezus zei tegen hem:
“Jullie geloven alleen maar als jullie tekenen en wonderen zien!”
49 Maar de hofbeambte drong aan:
“Heer, kom toch, voor mijn kindje sterft!”
50 “Ga maar, zei Jezus, je zoon leeft.”
En de man vertrouwde het woord van Jezus
en ging naar huis.
51 Terwijl hij nog onderweg was,
kwamen knechten van hem tegemoet
en verkondigden: “Je kind leeft!”
52 Hij vroeg hen onmiddellijk naar het uur waarop de beterschap begon.
Ze zeiden: “Gisteren, op het zevende uur [= 1 u ’s middags]
werd hij vrij van de koorts.”
53 Nu (h)erkende de vader:
“Dat is het uur waarop Jezus zei: Je zoon leeft.”
En hijzelf en zijn hele huis kwamen tot vertrouwen.
54 Dit was het tweede teken dat Jezus daar weer deed,
toen hij van Judea naar Galilea kwam.
Jezus is onderweg van Judea in het zuiden, waar Jeruzalem ligt, naar het noorden. Hij gaat naar Galilea, “weer in Kana, waar hij water tot wijn had gemaakt”. Dat staat er uitdrukkelijk bij. De bruiloft te Kana en de genezing van de zoon, delen dezelfde grondgedachte: waar Jezus komt, is de dood op afstand, begint het feest, het feest van het nieuwe leven. Jezus’ aanwezigheid schept nieuwe kansen, nieuwe mogelijkheden, ongedachte toekomst.
Geloven is je overgeven, je toevertrouwen – geloof hechten aan een woord, ook al lijkt dat tegen alle feiten in te spreken. Maar wat als ik ondanks al mijn vertrouwen, toch moet ervaren dat de dood toeslaat, op welke manier dan ook?
Juist dan is het zo belangrijk om te zien waar het geloof begint. Het begint niet pas als het bewijs geleverd is, als je de antwoorden hebt. Nee, het begint met de openheid voor het wonder dat het anders kan. Het begint met het vermoeden dat geen enkele situatie een noodlot is en het vertrouwen dat Léven sterker is dan de dood.
Zondag (15/03/2026) – 4de zondag van de Vasten A
Joh.9,1-41
1 En toen hij wegging
zag hij iemand die blind was vanaf zijn geboorte.
2 Zijn leerlingen vroegen hem:
“Rabbi, wie heeft er gezondigd
zodat hij blind geboren is,
hijzelf of zijn ouders?”
3 Jezus antwoordde:
“Noch hijzelf heeft gezondigd, noch zijn ouders!
Maar Gods werken moeten in hem openbaar worden.
4 Zolang het dag is
moeten we de werken doen
van hem die mij gezonden heeft.
– Er komt een nacht
waarin niemand bij machte zal zijn te werken.
5 Zolang ik in de wereld ben,
ben ik het licht van de wereld.”
6 Nadat hij dit gezegd had,
spuwde hij op de grond,
maakte met het speeksel slijk
en streek het slijk op de ogen van de blinde.
7 Hij zei tegen hem:
“Ga je wassen in de vijver van Siloam [waterreservoir in Jeruzalem]
– wat betekent: gezondene.
Hij ging dus weg, waste zich
en kwam ziende terug.
8 De buren nu,
en anderen die hem vroeger blind hadden gezien, zeiden:
“Is dat niet degene die zat te bedelen?”
9 Sommigen zeiden: “Dat is inderdaad hem.”
Maar anderen zeiden: “Nee, hij gelijkt alleen aan hem.”
Hijzelf zei: “Ik ben het!”
10 Ze vroegen hem dan:
“Hoe zijn dan je ogen geopend?”
11 Hij antwoordde:
“Iemand, die Jezus heet, maakte slijk en bestreek mijn ogen
en hij zei mij: ga je wassen in de vijver van Siloam.
Ik ben dus gegaan en heb mij gewassen
en toen kon ik weer zien.”
12 Ze vroegen hem nu: “Waar is die mens?”
Hij antwoordde: “Ik weet het niet.”
13 Toen brachten ze de man die blind geweest was
naar de farizeeën
14 – de dag waarop Jezus slijk maakte en hem de ogen opende
was een sabbat.
15 Opnieuw vroegen nu ook de farizeeën
hoe hij weer ziende was geworden.
En hij zei hen:
“Hij heeft slijk op mijn ogen gelegd
en ik heb mij gewassen,
en ik zie.”
16 Sommigen van de farizeeën zeiden:
“Die mens is niet van God,
want hij onderhoudt de sabbat niet.”
Maar anderen zeiden:
“Hoe zou een zondig mens [want hij onderhoudt de sabbat niet]
zulke [heils]tekenen kunnen doen?”
En zo was er verdeeldheid [schisma] onder hen.
17 Ze vroegen dus opnieuw aan de blinde:
“Jijzelf, wat zeg jij over hem,
aangezien hij je de ogen heeft geopend?”
Hij zei: “Hij is een profeet.”
18 Eigenlijk geloofden de Joden het niet van hem
dat hij blind geboren en weer ziende geworden was,
totdat ze de ouders riepen van de ziende gewordene.
19 Ze vroegen hen:
“Is dit jullie zoon van wie jullie zeggen
dat hij blindgeboren is?
Hoe kan het dan dat hij nu ziet?”
20 Zijn ouders antwoordden hun:
“Wij weten dat dit onze zoon is
en dat hij blindgeboren is,
21 maar hoe hij nu ziet, weten wij niet;
ook wie hem de ogen geopend heeft, weten wij niet.
Vraag het hemzelf,
hij is oud genoeg om voor zichzelf te spreken.”
22 Dit zeiden zijn ouders omdat ze bang waren voor de Joden,
want de Joden waren al overeengekomen
dat iemand die hem [Jezus] beleed als de Gezalfde [Christos/Messiah]
uit de plaats van samenkomst [synagoge] verbannen zou worden.
23 Daarom zeiden zijn ouders:
Hij is oud genoeg, vraag het hemzelf.
24 Ze riepen de blinde dus voor de tweede keer
en zeiden hem:
“Geef eer aan God.
Wíj weten dat die mens een zondaar is.”
25 Hij antwoordde daarop:
“Of hij een zondaar is, weet ik niet;
één iets weet ik: dat ik blind was en nu zie.”
26 Opnieuw vroegen ze hem:
“Wat heeft hij je gedaan?
Hoe heeft hij je de ogen geopend?”
27 Hij antwoordde hun:
“Ik heb het jullie al gezegd.
Hebben jullie niet geluisterd?
Waarom willen jullie het opnieuw horen?
Is het soms jullie bedoeling ook leerling van hem te worden?”
28 Ze werden grof tegen hem en scholden:
“Jijzelf bent een leerling van hem,
wíj zijn leerlingen van Mozes.
29 Wij weten dat God tegen Mozes heeft gesproken,
maar van hem [Jezus] weten wij niet vanwaar hij is.”
30 De man antwoordde hen:
“Dat is iets wonderlijks, dat júllie niet weten vanwaar hij is,
terwijl hij mij de ogen heeft geopend.
31 We weten [toch allemaal] dat God geen gehoor geeft aan zondaars,
maar dat hij wel gehoor geeft
als iemand Godvrezend is en zijn wil doet?
32 In der eeuwigheid is niet gehoord
dat iemand de ogen van een blindgeborene heeft geopend!
33 Als die mens niet van God was,
dan was hij niet vol-macht iets te doen.”
34 Ze antwoordden hem:
“In zonde ben jij geboren, van kop tot teen,
en jij spelt ons de les?”
En ze wierpen hem buiten.
35 Jezus hoorde dat ze hem buiten hadden geworpen.
Hij zocht en vond hem, en zei hem:
“Vertrouw jij in de Mensenzoon?”
36 Hij antwoordde:
Wie is dat, heer, zodat ik in hem kan vertrouwen?”
37 En Jezus zei hem:
“Je ziet hem
én je spreekt met hem.
Hij is het!”
38 Nu zei hij:
“Ik vertrouw, Heer”,
en hij boog zich voor hem neer.
39 En Jezus zei:
“Om een onderscheidend oordeel te bepalen
ben ik in deze wereld gekomen,
opdat de niet-zienden zouden zien
en de zienden blind zouden worden.”
40 Enkele farizeeën die bij hem waren,
hoorden dit en vroegen hem:
“Wij zijn toch niet ook blind?”
41 Jezus zei hen:
“Waren jullie maar blind,
dan had je geen zonde.
Maar nu je zegt: wij zien,
blijft je zonde.”
In het voorbijgaan ziet Jezus iemand die al vanaf zijn geboorte blind is. Hij ziet de mens die in duisternis leeft. De leerlingen stellen Jezus een vraag, ze praten óver de blinde, in plaats van met hem. Zij zien hém niet, zij zien een theologische, ethische kwestie: over het verband tussen zonde en ziekte en over straf, en wat G-d daarmee van doen heeft. Boeiend misschien, maar de mens om wie het gaat wordt zo tot object gemaakt. Jezus antwoordt: in deze mens moeten de daden van G-d openbaar worden. Daden van G-d, hebben altijd te maken met bevrijding, met de ellende zien van een mens in het donker en daarop handelen om licht te brengen. “Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht van de wereld.”
Wat een weldaad, wanneer iemand je echt ziet[geen komma] in je nood, in je pijn! Wat een weldaad als iemand je aanraakt op een manier die heel maakt. Dan kunnen je ogen open gaan en zie je de wereld anders, als nieuw wellicht Zo komt G-ds werk aan het licht.
Zaterdag (14/03/2026)
Lc.18,9-14
9 Met het oog op sommigen
die van zichzelf vertrouwden dat ze integer waren
en neerkeken op de rest,
vertelde Jezus nu deze gelijkenis:
10 “Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden.
De ene was een farizeeër, de andere een tollenaar.
11 De farizeeër ging staan en bad over zichzelf:
“God, ik dank je
dat ik niet ben zoals de andere mensen:
grijpgraag, onrechtvaardig, overspelig, …
of zoals die tollenaar.
12 Ik vast twee maal per week
en ik sta een tiende van al mijn inkomsten af.”
13 De tollenaar bleef op een afstand staan,
hief zelfs zijn ogen niet naar de hemel,
maar sloeg zich op de borst:
“God, wil je verzoenen met mij, zondaar die ik ben.”
14 Ik zeg jullie:
Híj keerde naar huis terug integer geworden,
en niet de ander.
Want ieder die zichzelf groter maakt,
zal kleiner worden,
en wie zichzelf kleiner maakt,
zal groter worden.”
In deze gelijkenis staan twee mensen voor G-d: een Farizeeër en een tollenaar. De Farizeeër komt bidden. Hij somt zijn zegeningen op en dankt G-d omdat hij beter is als anderen! Zijn gebed klinkt vroom, maar hij blijft bij zichzelf; hij vraagt niets en stelt zich niet open.
De tollenaar komt ook bidden. Hij vraagt. Hij weet dat hij genade nodig heeft en durft dat ook uit te spreken. Er is schaamte, nood …
Toch gaat de gelijkenis voor mij verder dan een moreel oordeel over zelfingenomenheid tegenover schuldbesef. Waarom speelt zich dit af in de tempel? En nota bene onder het bidden? De tempel is een plaats van ontmoeting met G-d; en in het bidden zoeken we contact met die G-d. Zo kan onze verbondenheid met G-d groeien. En daar wordt een verschil zichtbaar: bidden kan een moment van zelfbevestiging zijn, of een moment van eerlijk contact. Waar geen verlangen of openheid is, blijft alles bij het oude. Maar waar iemand zich kwetsbaar opstelt en om hulp vraagt, ontstaat ruimte voor verandering en genade.
Vrijdag (13/03/2026)
Mc.12,28b-34
28 Er kwam een schriftgeleerde bij hem die vroeg:
“Wat is de eerste wijzing [het voornaamste gebod] van alle wijzingen [geboden]?”
29 Jezus antwoordde hem:
“De eerste van alle wijzingen is:
Luister, Israël,
de Heer is onze God, de Heer is één.
30 Je zult de Heer je God daad-werkelijk liefhebben,
uit geheel je hart, uit geheel je geest,
uit geheel je verstand en uit geheel je kracht. [Deut.6,4-5]
Dit is de eerste wijzing.
31 De tweede, gelijke, is:
Je zult wie jou nabij komt
daad-werkelijk liefhebben als jezelf. [Lev.19,18]
Een andere wijzing, groter dan deze, is er niet.”
32 De schriftgeleerde zei hem nu:
“Goed, meester, het is waar wat je zegt:
God is één en er is geen ander behalve hem,
33 en hem daad-werkelijk liefhebben
uit geheel je hart, uit geheel je geest,
uit geheel je verstand en uit geheel je kracht,
en wie je nabij komt daad-werkelijk liefhebben als jezelf,
dat is méér dan alle brandoffers en andere gaven.”
34 Jezus zag dat hij wijs had geantwoord en zei hem:
“Je bent niet ver van het koningschap van God.”
En niemand durfde hem nog een vraag stellen.
Wanneer een jood zijn ‘talit’ (gebedssjaal) omdoet en de ‘tzitzit’ (de franjes) ziet — acht draden, vijf knopen — herinnert hij zich de 613 geboden die, volgens de Talmoed, aan Mozes werden toevertrouwd. Zoveel woorden, zoveel wegen waardoor vanzelf de vraag opduikt: wat is het belangrijkste?
En deze vraag komt naar ons terug: wat is voor jou het belangrijkste in het leven?
Wanneer men ze aan Jezus stelt, antwoordt hij eenvoudig: luisteren en beminnen. En daarbij verbindt hij de liefde tot G-d aan de liefde tot de mens. G-d liefhebben met heel je hart, je ziel en je verstand — en daaraan gelijk: je naaste liefhebben als jezelf. Ze zijn één beweging en de basis daartoe is Luisteren. “Luister, Israël…” Het eerste is luisteren: je openen, aandachtig worden, je laten raken. Daar begint alles.
Wie werkelijk luistert, leert beminnen. En wie bemint, draagt het wezenlijke reeds in zich.
Donderdag (12/03/2026)
Lc.11,14-23
14 Eens dreef Jezus een demon uit die stom was.
Toen de demon verdreven was, kon de stomme weer spreken.
De omstaanders verwonderden zich daarover.
15 Sommigen zeiden:
“Het is door Beëlzebul, de heerser van de demonen,
dat hij demonen kan uitdrijven!”
16 Anderen – om hem op de proef te stellen –
verlangden van hem een teken uit de hemel.
17 Maar hij wist welke gedachten bij hen leefden
en zei daarom:
“Elk koninkrijk dat innerlijk verdeeld is,
raakt verwoest; het ene huis valt op het andere.
18 Als nu de tegenstander [satan] zelf innerlijk verdeeld is,
hoe kan zijn koninkrijk dan standhouden?
Want jullie zeggen dat ik door Beëlzebul demonen uitdrijf.
19 En als ik ze door Beëlzebul uitdrijf,
door wie drijven jullie zonen ze dan uit?
Als jullie zo redeneren, zullen zij zelf jullie rechters zijn.
20 Maar als ik door Gods kracht de demonen uitdrijf,
dan heeft het koninkrijk van God jullie bereikt!
21 Wanneer een sterke goed bewapend zijn domein bewaakt,
dan is wat hem lijkt toe te behoren in vrede.
22 Maar zodra nu iemand komt die sterker is dan hij,
overwint hij hem,
ontneemt hem de wapenrusting waarop hij vertrouwde
en geeft weg wat hij op hem heeft buitgemaakt.
23 Wie niet mét mij is, is tegen mij,
en wie niet met mij bijeenbrengt, die verstrooit.
Jezus’ doen en laten wekt verwondering. En toch worstelen mensen met de genezende kracht die zij in Jezus ontwaren. Hij opent wat gesloten was en geeft stem aan wie monddood werd gemaakt. Zijn helende kracht roept vragen op: komt zij uit het duister of uit het Licht?
Dan klinkt zijn eenvoudig, helder antwoord: een kracht die zichzelf verdeelt, valt uiteen. Wat in strijd is met zichzelf, verliest zijn grond. Wie leeft in innerlijke verdeeldheid, raakt los van zijn eigen hart — en van de ander.
Hoe bewaak jij jouw domein? Met wapens van angst en eigen gelijk, of met Liefde — met G-d? Wapens zetten mensen tegenover elkaar, maken van buren vreemden en van volken vijanden. Liefde daarentegen is een grotere kracht, ook al is ze stiller. Zij geneest en verbindt. Zij herinnert ons eraan dat wij als broers en zussen leven onder dezelfde hemel.
Die goddelijke kracht is geen bezit van enkelen. Zij vraagt geen grootse woorden of vrome voornemens, maar een keuze die elke dag opnieuw geboren wordt: je laten bevrijden van wat verdeelt, en leven in verbondenheid — midden tussen de mensen, waar het heilige zich onopvallend openbaart.