
Wil je graag het evangeliecommentaar dagelijks in je mailbox? Schrijf je dan in op onze dagelijkse nieuwsbrief onderaan de homepagina.

Wil je graag het evangeliecommentaar dagelijks in je mailbox? Schrijf je dan in op onze dagelijkse nieuwsbrief onderaan de homepagina.
Zaterdag (12/09/2026)
Lc.6,43-49
43 “Want een goede boom brengt geen rotte vruchten voort,
en een rotte boom geen goede vruchten.
44 Want iedere boom wordt gekend aan de eigen vruchten.
Want van doornstruiken verzamelt men geen vijgen
en van braamstruiken oogst men geen druiven.
45 Een goed mens brengt goede vruchten voort
uit de schat van zijn goede hart;
een verdwaasd mens brengt dwaze vruchten voort
uit de schat van zijn verdwaasd hart.
Want waar het hart van vol is, spreekt de mond.
46 Wat roep je mij “Heer, Heer!”
en doe je niet wat ik zeg?
47 Ieder die naar mij komt
en mijn woorden hoort en doet –
ik zal je tonen op wie hij gelijkt:
48 Hij is als iemand die een huis bouwt
en het fundament graaft, uitdiept en grondvest op een rots.
Er kwam een overstroming en de rivier beukte tegen dat huis,
maar die was niet bij machte het te doen wankelen,
want het was gefundeerd op de rots.
49 Maar wie ze gehoord heeft en níet doet,
is als iemand die een huis bouwt
los op de grond, zonder fundament.
De rivier beukte tegen dat huis
en het stortte onmiddellijk in.
Het werd een puinhoop.”
Bij elk voorbeeld dat Jezus hier aanhaalt, is onze eerste reactie eigenlijk zoiets als: Ah ja, natuurlijk.
Ook in de toepassing die erop volgt, over het bouwen van een huis, weten we nog wel: Ah ja, natuurlijk.
Maar zeggen we het ook tegen onszelf als we voor de keuze staan ‘rotte of goede vruchten voort te brengen’, of met een goed of verdwaasd hart te leven?
En wat als we het huis van ons leven willen opbouwen? Zeggen we dan ook: Ah ja, natuurlijk zal ik dat doen ‘op grond van’ G-ds Woord? Met alleen een vroom aanroepen van de Heer, zijn we blijkbaar nog geen leerling van Jezus.
‘Geen woorden maar daden’ … Wéér een spreuk uit de Bijbel.
Vrijdag (11/09/2026)
Lc.6,39-42
39 Hij vertelde hen nu een gelijkenis:
“Een blinde kan toch niet een blinde op weg leiden?
Zullen beide dan niet in een put vallen?
40 Een leerling staat niet boven zijn leermeester.
Maar als hij volgroeid zal zijn,
zal hij zijn zoals zijn leermeester.
41 Maar wat kijk je naar de splinter
in het oog van je broer
als je de balk in je eigen oog niet opmerkt?
42 Of kun je tegen je broer zeggen:
‘Broer, laat me de splinter uit je oog weghalen’,
als je de balk in je eigen oog niet ziet?
Ondermaatse oordelaar! [hypocritès]
Haal eerst de balk uit je eigen oog,
dan [pas] zul je doorzicht hebben
om de splinter uit het oog van je broer te halen.”
“Als de ene blinde de andere leidt, vallen beiden in het water.” Het is één van de vele uitdrukkingen in onze taal die rechtstreeks uit de Bijbel komen. We vinden het ook logisch. Maar dat mag ons niet doen vergeten dat het ook op onszelf van toepassing is! We moeten durven en willen erkennen dat we zelf minstens ten dele nog blind zijn, en dus leiding nodig hebben! En dat terwijl onze maatschappij ons voortdurend inlepelt dat we alles zelf kunnen bepalen, terwijl ze tegelijkertijd onderhuids steeds strakker zelf de touwtjes in handen houdt en het vooral de economie is die bepaalt wat we al of niet doen. Daaruit vloeit dus ook de omgekeerde vraag voort: Door wie of wat laten wij ons leiden? Volgen wij helder ziende mensen, of andere blinden?
En de vraag kan ook in andere zin omgedraaid worden: Wij zijn dan nog wel niet ‘volgroeid’ zoals onze Leermeester, maar ‘gegroeid’ inmiddels hopelijk toch wel al wat. Hebben wij dan niet de verantwoordelijkheid om, naar de mate van onze groei, ook anderen te leiden op de weg van onze Leermeester? Al te vaak ontlopen wij die verantwoordelijkheid, op maatschappelijk vlak, maar ook op geloofsvlak.
Donderdag (10/09/2026)
Lc.6,27-38
27 Maar tegen jullie zeg ik:
“Heb je vijanden daad-werkelijk lief.
Doe goed aan wie jou haat.
28 Zegen wie jou vervloekt.
Bid voor wie jou smalend behandelt.
29 Aan wie jou op de wang slaat,
hou hem ook je andere wang voor.
Aan wie jouw mantel afneemt,
weiger hem niet je hemd.
30 Aan ieder die vraagt: geef,
en van wie iets van jou wegneemt: vraag niet terug.
31 Zoals je wil dat de mensen aan jou doen,
doe dat zó aan hen!
32 Als je [enkel] liefhebt wie jou liefhebben,
wat voor genade is dat?
Want ook de zondaars hebben lief wie hen liefhebben.
33 Als je enkel goed doet aan wie jou goed doen,
wat voor genade is dat?
Want ook de zondaars doen hetzelfde.
34 Als je enkel uitleent aan hen van wie je hoopt terug te krijgen,
wat voor genade is dat?
Want ook de zondaars lenen aan zondaars
om hetzelfde terug te krijgen.
35 Nee, daarentegen!
Heb je vijanden daad-werkelijk lief.
Doe goed en leen uit,
zonder iets terug te verwachten.
Dan zal je loon groot zijn
en zijn jullie kinderen van de Allerhoogste!
Want hij doet ook goed [chrèstos = goed, mild, teder, genadevol (cf. Hebr. chesed)]
voor de ondankbaren en verdwaasden.
36 Word mede-lijdend
zoals ook jullie Vader mede-lijdend is.
37 Oordeel niet
en je zult niet geoordeeld worden.
Veroordeel niet
en je zult niet veroordeeld worden.
Spreek vrij
en je zult vrijgesproken worden.
38 Geef
en er zal je gegeven worden.
Een goeie maat zullen ze je in de schoot werpen,
geschud, aangestampt en overlopend.
Want met de maat waarmee jullie meten,
zul je ook gemeten worden.”
De vurige speech van Jezus tot zijn leerlingen – ons inbegrepen dus – hanteert forse uitersten. We mogen een béétje ervan uitgaan dat dat retoriek is, maar laten we het nooit als argument gebruiken om het niet te hoeven te doen! Jezus geeft wel degelijk de richting aan waarin ons leven zou móeten evolueren als we ‘richting G-d’ willen gaan.
Deze aanwijzingen zijn bedoeld om iets te vertellen over wat ‘het koninkrijk van G-d’ zou kunnen zijn. G-d zelf begint er alvast mee t.a.v. óns. En dat is niet onbelangrijk om op te merken: Wij verdienen het óók niet, en toch geeft G-d het ons. Dat ‘koninkrijk van G-d’ zal pas uitbreiden als wij op onze beurt de anderen rondom ons op dezelfde manier tegemoet treden.
Nergens staat dat dat makkelijk zou zijn, wel dat we de richting kennen en dat het mooi zal worden als we het ook doen. Vandaag weer een dag om er een begin mee te maken …
Woensdag (9/09/2026)
Lc.6,20-26
20 Jezus keek op naar zijn leerlingen en zei:
“Gezegend wie leeft in [de geest van] armoede [Gr.: ptoochoi = Hebr.: anawim, de levenshouding om in armoede en nederigheid het leven in Gods hand te leggen],
ja, van jullie is het koningschap van God.
21 Gezegend wie nu hongeren,
ja, jullie zullen verzadigd worden.
Gezegend wie nu weeklagen,
ja, jullie zullen lachen.
22 Gezegend zijn jullie als de mensen je haten,
je buitensluiten, je smaden
en je naam verwerpen als iets slechts,
omwille van de mensenzoon.
23 Op die dag: spring op van vreugde!
Want kijk: groot is jullie loon in de hemel,
want hetzelfde deden hun voorvaderen met de profeten.
24 Maar wee jullie rijken,
ja, je vertroosting heb je al.
25 Wee jullie die voldaan zijn,
ja, jullie zullen hongeren.
Wee jullie die nu lachen,
ja, jullie zullen treuren en weeklagen.
26 Wee jullie als de mensen jullie mooipraten,
want hetzelfde deden hun voorvaderen met de valse profeten.
We lezen hier Lucas’ versie van de befaamde Zaligsprekingen. Hoe mooi, en bijna poëtisch, het ook mag klinken, het is een keiharde realiteit, die we maar moeilijk in ons leven kunnen integreren. Als we er zelfs al maar willen aan beginnen!
Het is nochtans een door en door Bijbelse levenshouding, al van lang voor Jezus! Zoals op zoveel punten doet Jezus eigenlijk ‘niets anders dan’ het Bijbelse verhaal van G-d met zijn volk handen en voeten, en een hárt, geven. Die Bijbelse levenshouding kun je hier samenvatten met de eerste ‘zaligspreking’ van Lucas: leven in de geest van armoede. De ‘anawim’ – zoals Jozef en Maria er duidelijk waren – waren mensen die in alle eenvoud en nederigheid hun leven in Gods handen legden. Alle volgende vloeien daar eigenlijk uit voort. Leven in de geest van armoede is consequent niet jezelf in het centrum plaatsen, maar G-d – een erg lastig gegeven in onze tijd … én ook in mijn eigen leven, als ik het wil zien …
Dinsdag (8/09/2026)– feest v. Maria geboorte
Mt.1,1-16.18-23
1 Boek van de geschiedenis van Jezus de gezalfde [Christos-Messiah],
zoon van David, zoon van Abraham.
2 Abraham verwekte Isaak,
Isaak Jakob, Jakob Juda en zijn broers.
3 Juda verwekte Peres en Zerach bij Tamar.
Peres verwekte Chesron, Chesron Aram.
4 Aram verwekte Aminadab,
Aminadab Nachson, Nachson Salmon.
5 Salmon verwekte Boaz bij Rachab,
Boaz Obed bij Ruth.
Obed verwekte Isaï
6 en Isaï verwekte David, de koning.
Koning David verwekte Salomo bij de vrouw van Uria.
7 Salomo verwekte Rechabeam,
Rechabeam Abia, Abia Asa.
8 Asa verwekte Josafat,
Josafat Joram, Joram Uzzia.
9 Uzzia verwekte Jotam,
Jotam Achaz, Achaz Hizkia.
10 Hizkia verwekte Manasse,
Manasse Aman, Aman Josia.
11 Josia verwekte Jechonja en zijn broers
ten tijde van de Babylonische ballingschap.
12 Na de Babylonische ballingschap verwekte Jechonja Sealtiël,
Sealtiël verwekte Zerubbabel.
13 Zerubbabel verwekte Abihud,
Abihud Eljakim, Eljakim Azor.
14 Azor verwekte Zadok,
Zadok Achim, Achim Eliud.
15 Eliud verwekte Eleazar,
Eleazar Mattan, Mattan Jakob.
16 Jakob verwekte Jozef, de man van Maria,
uit wie Jezus werd geboren,
genoemd: de gezalfde [Christos-Messiah].
18 De geboorte van Jezus de gezalfde [Christos-Messiah] verliep zo:
Zijn moeder, Maria, was verloofd met Jozef.
Voor zij echter gingen samen leven,
werd zij zwanger bevonden uit heilige geest.
19 Haar man Jozef, die integer was,
wilde haar niet openlijk te schande maken
en dacht erover haar in het geheim weg te sturen.
20 Kijk! Terwijl hij deze dingen overdacht,
verscheen een boodschapper [engel] van de Heer
in een droom aan hem:
“Jozef, zoon van David,
wees niet bang Maria, je vrouw,
bij jou te nemen,
want wat in haar is verwekt
is uit heilige geest.
21 Ze zal een zoon baren
en je moet hem de naam Jezus [de Heer is redding] geven,
want hij zal zijn volk bevrijden van hun zonden.”
22 Dit alles is gebeurd opdat vervuld zou worden
wat vanwege de Heer door de profeet is gezegd:
23 Zie, de jonge vrouw zal zwanger worden
en een zoon baren
en ze zullen hem noemen: Immanuël [Jes.7,14],
wat betekent: God met ons.
Het feest van Maria’s Geboorte kent een opvallend Evangelie: geen verhaal over haar eerste levensdagen, maar de lange stamboom van Jezus én de roeping van Jozef. Dat lijkt vreemd, maar is het niet. Want het vertelt over het moment dat Maria zwanger wordt – het moment dat G-d in haar tot leven komt.
Waar stambomen vroeger vooral dienden om te pronken met heldendaden en aanzien, toont deze lijst juist de rauwe realiteit: een spoor van menselijke feilbaarheid en onvolmaaktheid. Midden in die gebroken geschiedenis verschijnt Maria als een jong, onbeduidend meisje. Toch kiest G-d juist haar uit. Zij zegt vol overgave ‘ja’ om Liefde te dragen. En Jozef sluit daarbij aan: door stil te luisteren en haar te beschermen, treedt hij op als 'vroedman' die G-d de ruimte geeft op aarde.
Zo laten Maria en Jozef zien hoe G-d onder ons mens wordt. Haar geboorte vieren is dan ook een uitnodiging: durven wij ons, net als zij, te laten inschakelen in G-ds verhaal?