
Wil je graag het evangeliecommentaar dagelijks in je mailbox? Schrijf je dan in op onze dagelijkse nieuwsbrief onderaan de homepagina.

Wil je graag het evangeliecommentaar dagelijks in je mailbox? Schrijf je dan in op onze dagelijkse nieuwsbrief onderaan de homepagina.
Zaterdag (11/04/2026)
Mc.16,9-15
9 Toen Jezus in de vroegte van de eerste dag was opgestaan,
verscheen hij het eerst aan Maria van Magdala,
van wie hij zeven demonen had weggedreven.
10 Ze ging het berichten aan wie met hem was
en die nu treurden en weeklaagden.
11 Toen zij hoorden dat hij leefde
en door haar was gezien,
vertrouwden zij het niet.
12 Maar hierna verscheen hij,
in een andere vorm, wandelend,
aan twee van hen die onderweg waren buiten de stad.
13 Ook zij gingen het berichten aan de anderen,
maar ook hen vertrouwden zij niet.
14 Wat later toonde hij zich aan de elf,
terwijl ze aan tafel waren.
Hij maakte hen een verwijt
over hun gebrek aan vertrouwen
en de verhardheid van hun hart,
omdat ze geen vertrouwen hadden geschonken
aan wie hem hadden gezien als de opgestane.
15 Jezus zei tegen hen [zijn leerlingen]:
“Ga de hele wereld in
en verkondig de bevrijdende boodschap
aan de gehele schepping!”
Vrij worden lijkt een voorwaarde om te kunnen zien. Pas wanneer dat wat ons in bedwang houdt wordt losgemaakt, ontstaat er ruimte om te spreken en te getuigen. Zo wordt Maria van Magdala bevrijd, maar haar woord vindt geen gehoor. Ook anderen die hem menen te herkennen, botsen op wantrouwen. Het hart heeft tijd nodig om te ontdooien, om zacht genoeg te worden om te geloven.
Jezus verwijt hun hardheid, maar zijn woorden dragen hoop. Verrijzenisgeloof groeit langzaam; het laat zich niet afdwingen. Het rijpt door twijfel, door aarzeling, totdat het van binnenuit gedragen kan worden.
En toch klinkt – te midden van al die twijfel – de opdracht: “Ga de hele wereld in en verkondig het bevrijdende nieuws.” Vertrouwen hoeft niet volmaakt te zijn om in beweging te komen. Juist door te gaan, door te spreken en te leven, kan het broze geloof verder groeien, zich verdiepen en nieuw leven brengen – voor henzelf en voor de hele schepping.
Vrijdag (10/04/2026)
Joh.21,1-14
1 Na dit alles toonde Jezus zichzelf opnieuw aan de leerlingen
bij het meer van Tiberias. [= het meer van Galilea]
Dit verliep als volgt:
2 Simon Petrus, Tomas de tweeling,
Natanaël van Kana in Galilea, de zonen van Zebedeüs
en twee andere van zijn leerlingen waren er bijeen.
3 Simon Petrus zei: “Ik ga vissen.”
En zij antwoordden: “Dan gaan wij met je mee.”
Ze klommen in de boot, maar die nacht vingen ze niets.
4 Toen het al ochtend begon te worden,
stond Jezus aan de oever.
De leerlingen wisten echter niet dat het Jezus was.
5 Jezus zei hen: “Jongens, hebben jullie iets voor bij het eten?”
Ze antwoordden hem: “Nee …!”
6 Nu zei hij hen: “Werp het net uit naar de rechterkant van de boot en je zult wat vinden.”
Ze deden dat, maar konden het net niet meer optrekken
door de grote hoeveelheid vissen.
7 De leerling, die Jezus erg genegen was, zei tegen Petrus:
“Het is de Heer!”
Toen Simon Petrus dit hoorde, trok hij zijn bovenkleed weer aan en sprong in het water.
8 De andere leerlingen kwamen met het bootje.
Ze waren niet ver van het land, ongeveer tweehonderd el [= ca. 100m]
en sleepten het net met de vissen mee.
9 Toen ze aan land stapten, zagen ze een houtskoolvuur
met vis erop en brood.
10 Nu zei Jezus:
“Breng wat van de vissen die je nu gevangen hebt.”
11 Simon Petrus klom in de boot en trok het net op het land.
Het zat vol grote vissen: honderddrieënvijftig,
en ondanks de grote hoeveelheid scheurde het net niet.
12 Jezus zei hen: “Kom eten.”
Niemand van de leerlingen durfde hem te vragen ‘wie ben jij’,
terwijl ze wel wisten dat het de Heer was.
13 Maar Jezus nam het brood en gaf het hun. Zo ook met de vis.
14 Dit was de derde keer dat Jezus zich aan de leerlingen toonde
sinds hij was opgestaan uit de dood.
Na wat zo pijnlijk misgelopen was, doen enkele van de leerlingen wat hen vertrouwd was. Ze keren terug naar het bekende; ze zoeken houvast in het oude. Ze blijven dicht bij elkaar om niet te verliezen wat hen nog verbindt. En toch stokt er iets. Zijn ze het verleerd, dat vissen? Is het gewoon een slechte dag, of ontbreekt het hen aan moed, aan richting, na alles wat er gebeurd is?
Dan klinkt een stem van buitenaf: een vreemde die hen zegt wat te doen. Geloven ze hem echt, of handelen ze uit wanhoop, omdat niets nog lijkt te lukken?
Het is opvallend hoe inzicht soms niet van binnenuit komt, maar via een ander. Zelfs Petrus ontdekt geloof langs een omweg, door het woord van een ander, de leerling die Jezus erg genegen was.
En Jezus? Hij verschijnt als een gast die om eten vraagt, bijna onopvallend, kwetsbaar. Het is de derde keer, en nog steeds herkennen ze hem nauwelijks. Misschien zegt dat iets wezenlijks: verrijzenis dringt zich niet op, ze ontluikt langzaam, in kleine verschuivingen van vertrouwen, tot iemand het ziet en de anderen meeneemt in dat nieuwe zien.
Donderdag (9/04/2026)
Lc.24,35-48
35 En zij vertelden wat er onderweg was gebeurd
en hoe hij zich had laten kennen in het breken van het brood.
36 Terwijl ze dit aan het vertellen waren,
kwam hijzelf in hun midden
en zei hun: “Vrede voor jullie!”
37 Ze schrokken erg en werden bang
omdat ze dachten een geest te zien.
38 Hij zei hun: “Waarom zijn jullie zo verward
en waarom bekruipt zo’n twijfel jullie hart?
39 Kijk naar mijn handen en mijn voeten: Ik ben het zelf!
Voel aan mij en kijk.
Een geest heeft toch geen vlees en beenderen
zoals jullie zien dat ik wel heb?”
40 En dit zeggende, toonde hij hun zijn handen en voeten.
41 Omdat zij door de vreugde en de verwondering
nog steeds het moeilijk konden vertrouwen,
zei hij hun: “Hebben jullie hier iets te eten?”
42 Ze gaven hem een stuk gebakken vis (en honingkoek).
43 Hij nam het en at het voor hun ogen op.
44 Daarna zei hij tegen hen:
“Dit zijn de woorden die ik tot jullie sprak
toen we nog samen waren:
dat het ‘moet’ dat vervuld wordt
wat over mij geschreven staat
in de wet van Mozes, de profeten en de psalmen.”
45 Toen opende hij wijd hun verstand
om de Schriften te bevatten.
46 En hij zei tegen hen:
“Zo staat het geschreven en zo ‘moet’ het:
Dat de Gezalfde [Christos] zou lijden
en opstaan uit de doden op de derde dag,
47 en dat er in zijn Naam
ommekeer verkondigd zou worden
tot vrijmaking van zonden [verwijdering]
voor alle volken, te beginnen met Jeruzalem.
48 En jullie zijn hiervan de getuigen [martyres].
Verrijzenis is geen abstract idee, maar raakt mensen van vlees en bloed. Raakt het ons!? Jezus heeft de woorden van de profeten niet alleen gehoord, maar zo diep in zich laten doordringen dat ze een innerlijk ‘moeten’ werden, een overtuiging die zijn leven richting gaf. Zijn weg groeide van binnenuit, niet als opgelegde plicht, maar als waarheid die geleefd wilde worden. Zo handelde hij, voor ons, opdat ook wij vrij zouden worden en wij het lef zouden hebben om ons te laten omkeren.
De leerlingen zouden ervan getuigen, maar hun verhaal is geen eindpunt. Wat in hem gebeurde, blijft zich herhalen waar mensen zich laten raken, waar iets in hen verschuift, waar nieuw leven doorbreekt. Verrijzenis is geen afgesloten moment in het verleden, maar een beweging die telkens opnieuw gebeurt, in het diepste van de mens. Verrijzenis voltrekt zich, opnieuw en opnieuw, ook vandaag.
Woensdag (8/04/2026)
Lc.24,13-35
13 Kijk! Juist op die dag waren twee van hen [van de ruimere groep leerlingen die in Jeruzalem het bericht van de vrouwen hadden gehoord]
op weg naar een dorp dat Emmaüs heette
en zo’n zestig stadiën [ca. 11km] van Jeruzalem lag.
14 Zij wisselden met elkaar van gedachten
over alles wat was voorgevallen.
15 En zo sprekend en samen zoekend,
gebeurde het dat Jezus zelf hen naderde
en samen met hen verder trok.
16 Maar hun ogen waren verstard zodat ze hem niet herkenden.
17 Nu zei hij tegen hen:
“Wat is dat voor woordenwisseling onder jullie onderweg?”
Met een somber gezicht bleven ze staan.
18 Eén van hen, die Kleopas heette, antwoordde:
“Ben jij dan de enige passant [paroikos] in Jeruzalem
die niet gehoord heeft wat daar deze dagen is gebeurd?”
19 Hij vroeg: “Wat dan?”
Ze zeiden: “Wel, over Jezus, uit Nazaret.
Hij was een profetisch man, vol macht in werk en woord
voor God en heel het volk.
20 Hoe onze hogepriesters en leiders hem hebben uitgeleverd
tot een terdoodveroordeling en hem hebben gekruisigd.
21 En wij hoopten dat hij Israël zou gaan verlossen,
maar ondertussen is het al de derde dag
sinds die dingen gebeurd zijn.
22 Wel waren er enkele vrouwen uit ons midden
die ons in verwarring brachten.
Zij waren vroeg in de morgen naar het graf gegaan,
23 maar vonden zijn lichaam niet,
en zij kwamen zeggen
dat ze een visioen van boodschappers [angeloi] hadden gezien,
die zeiden dat hij leeft.
24 Enkele van de mensen die met ons samen waren,
zijn dan naar het graf gegaan.
ze vonden het zoals de vrouwen hadden gezegd,
maar hem hebben ze niet gezien.”
25 Nu zei hij tegen hen: “O onverstandigen
en tragen van hart om tot vertrouwen te komen
op grond van alles wat de profeten hebben gezegd …
26 ‘Moest’ soms niet de Gezalfde [Christos] dit alles lijden
om binnen te gaan in zijn grootsheid?”
27 En beginnend bij Mozes
legde hij bij al de profeten duidelijk aan hen uit
wat in al de Geschriften op hem betrekking had.
28 Ze naderden het dorp waar ze heen trokken
en hij deed alsof hij verder zou gaan.
29 Maar zij drongen sterk aan:
“Blijf bij ons,
de dag is dalend,
de nacht is nabij.”
En hij ging bij hen binnen om bij hen te blijven.
30 En toen ze samen aan tafel waren, gebeurde het:
Hij nam het brood en zegende het,
hij brak het en gaf het hun.
31 Nu gingen hun ogen wijd open
en zij herkenden hem.
Hij werd onzichtbaar voor hen.
32 Ze zeiden tegen elkaar:
“Brandde ons hart niet in ons
toen hij zo tegen ons sprak onderweg
en toen hij voor ons de Schriften echt opende?”
33 Ze stonden op [= ze verrezen!]
en nog hetzelfde uur keerden ze naar Jeruzalem terug.
Ze vonden er de elf en enkelen met hen bijeen.
34 Dezen zeiden:
“De Heer is werkelijk opgewekt!
Hij heeft zich laten zien aan Simon!”
35 En zij vertelden wat er onderweg was gebeurd
en hoe hij zich had laten kennen in het breken van het brood.
Terwijl ze onderweg zijn, zoekend en onzeker, komt Jezus dichterbij en gaat met hen mee. Maar ze herkennen hem niet. Hij kent de verhalen van de traditie. Hij heeft ze niet alleen begrepen, maar ook ten volle doorleefd, tot ze vlees en bloed werden in zijn bestaan. Waren die woorden altijd al op hem gericht, of is hij er zo diep door geraakt dat ze werkelijkheid zijn geworden in zijn leven?
En als híj verrijst, waarom wíj dan niet? Zijn wij niet evenzeer kinderen, zonen en dochters van G-d? Waarom zou ons hart niet gaan branden als iemand ons de Schriften opent. Als iemand in woord én daad doet wat er geschreven staat? Zou deze mens ook ons kunnen raken en bewegen?
Misschien ligt daarin het geheim: verrijzenis is geen gebeurtenis uit het verleden. Ze voltrekt zich waar mensen zich laten raken, waar wanhoop plaatsmaakt voor hoop, waar iets in mensen oplicht. Verrijzenis gebeurt telkens opnieuw, hier en nu, in ieder hart dat zich opent.
Dinsdag (7/04/2026)
Joh.20,11-18
[Nadat Petrus en Johannes het lege graf hadden gezien en weer weggegaan]
11 Maria [van Magdala] was wenend bij het graf blijven staan.
Zo wenend, boog zij zich naar het graf toe
12 en aanschouwde twee boodschappers [angeloi]
die daar zaten in het wit,
één aan het hoofdeinde en één aan het voeteneinde,
daar waar het lichaam van Jezus had gelegen.
13 Ze zeiden tegen haar:
“Vrouw, waarom ween je?”
Ze antwoordde hen:
“Omdat ze mijn heer hebben weggenomen
en ik niet weet waar ze hem hebben gebracht.”
14 Toen keerde zij zich om, naar achter [= weg van het graf]
en aanschouwde Jezus die daar stond,
zonder te weten dat het Jezus was.
15 Jezus zei haar:
“Vrouw, waarom ween je? Wie zoek je?”
Menend dat het de tuinman was, zei ze:
“Heer, als jij hem weggedragen hebt,
zeg me waar je hem hebt neergelegd,
zodat ik hem kan halen.”
16 Nu zei Jezus tegen haar: “Maria.”
Zij keerde om en zei: “Rabboeni!”
– wat wil zeggen: mijn meester.
17 Jezus zei haar:
“Hou mij niet vast,
want ik ben nog niet opgegaan naar mijn Vader.
Maar ga naar mijn broers en zeg hen:
Ik ga op naar mijn en jullie Vader,
naar mijn en jullie God.”
18 Maria van Magdala ging naar de leerlingen
en berichtte hen dat zij de Heer had gezien
en dat hij dit tegen haar had gezegd.
(Het zou boeiend en passend zijn in de Paastijd de lezingen uit de Handelingen van de apostelen, dat ‘handvest van er eerste Christenen’, te blijven volgen. Misschien doen we dat wel een volgende keer; nu keren we terug naar de Evangelielezingen.)
Het ‘noli me tangere’ – hou mij niet vast – is in de loop der tijden een veel voorkomend thema geworden. Zowel in de schilderkunst als in de muziek is het veelvuldig verbeeld en verklankt. Ook in de spiritualiteit speelt het een belangrijke rol. Ook in de onze?
Mensen blijken geneigd zich vast te klampen. Waaraan ze dat doen, kan nogal gevarieerd zijn, maar steeds gaat het om iets waar ze denken een zekere stevigheid in te vinden – een stevigheid die ze momenteel kwijt zijn. Heel begrijpelijk dus, misschien zelfs noodzakelijk. En toch zegt Jezus meteen en nadrukkelijk: “Neen, dat is niet de weg naar het nieuwe leven.” Het nieuwe leven is immers zo nieuw, dat wij het ons eigenlijk niet kunnen voorstellen. Om die onzekerheid op te lossen, klampen wij ons dan maar vast aan oude zekerheden. Maar dat belet ons dus het nieuwe te zien!
“Hou mij niet vast!” Het is een spiritualiteit van niet vastklampen, maar met open handen en geest in het leven te staan, en daar te zíen waar het nieuwe zich aanmeldt.