inleiding op de reeks ‘evangelie’-commentaren van de Goede Week
Gewoonlijk geven wij hier een kort commentaar op het Evangelie van de dag. Maar in de Goede Week is het ‘verhaal’ genoegzaam bekend. Jezus gaat consequent de weg van zijn leven, die inbegrijpen zijn dood en verrijzenis. Ze zijn de vervulling van hoe hij zelf heeft geleefd, maar ook de vervulling van wat hij in ‘de Schriften’ (wat wij ‘het Oude Testament’ noemen) las. Daarom volgen we dit jaar van Palmzondag t.e.m. Paas-maandag niet rechtstreeks de Evangelies, maar de eerste lezingen van die dagen.
Veel ‘uitleg’ hoeven ze meestal ook niet. Het belangrijkste is ze te overwegen: lees en herlees, zie en verwonder je, peil naar de diepte van het Godsgebeuren in de mens.
We geven telkens ook de bijhorende Psalm mee. Jezus kende die, hij bad ze. In deze teksten kunnen wij mee zijn roeping, zijn levensweg en zijn gebed tot de onze maken.
(De tekst van de lezingen is uit NBV21, van de Psalmen uit 150 Liederen ten Léven.)
(Wie deze teksten elders wil gebruiken mag dat vrij doen. Wil echter misschien van de gelegenheid gebruik maken om mee ‘het Goede Nieuws’ te verspreiden en onze dagelijkse commentaren verder kenbaar te maken.)
De hele reeks online vind je hier terug
Dinsdag (31/03/2026)
Jes.49,1-6 (= 2de lied vd lijdende dienaar) + Psalm 71
1 Eilanden, hoor mij aan,
verre volken, luister aandachtig.
Al in de schoot van mijn moeder
heeft de HEER mij geroepen,
nog voor ze mij baarde noemde Hij mijn naam.
2 Mijn tong maakte Hij scherp als een zwaard,
Hij hield me verborgen in de schaduw van zijn hand;
Hij maakte me tot een puntige pijl,
Hij stak me weg in zijn pijlkoker.
3 Hij heeft me gezegd: ‘Mijn dienaar ben jij.
In jou, Israël, toon Ik mijn luister.’
4 Maar ik zei: ‘Tevergeefs heb ik me afgemat,
ik heb al mijn krachten verbruikt,
het was voor niets, het heeft geen zin gehad.
Maar de HEER zal mij recht doen,
mijn God zal mij belonen.’
5 Toen sprak de HEER –
Hij die mij al in de moederschoot
gevormd heeft tot zijn dienaar
om Jakob naar Hem terug te brengen,
om Israël rond Hem te verzamelen,
zodat ik aanzien zou genieten bij de HEER
en mijn God mijn sterkte zou zijn.
6 Hij zei: ‘Dat je mijn dienaar bent
om de stammen van Jakob op te richten
en de overlevenden van Israël terug te brengen,
dat is nog maar het begin.
Ik zal je maken tot een licht voor alle volken,
opdat de redding die Ik brengen zal
tot aan de einden der aarde reikt.’
De weg sinds onze geboorte tot nu is al lang – al te lang voelt het soms, als we ontmoedigd raken over wat we (maar) bereiken. Het zag er allemaal zo veelbelovend uit, maar zie nu eens: “Tevergeefs heb ik mij afgemat.”
Is dat zo dat wij al van in de moederschoot geroepen zijn zijn dienaar te worden? Het Mysterie van Gods liefde reikt eindeloos ver en diep, véél dieper dan ikzelf kan bevroeden – waarom dan ook niet tot aan mijn uiterste begin, en voorbíj het uiterste einde?! Elk mensenkind is geroepen die goddelijke liefde gestalte te geven. En liefde is ‘lankmoedig’ (zie Paulus’ ‘hooglied op de liefde’ in 1Kor.13,4) – lang-moedig. Gods Lévensgeest die in ons werkzaam is, ‘is van lange adem’! We staan nog maar aan het begin …!
Bidden we ook:
Psalm 71
In benauwdheid en tegenslag doet de Heer ons rechtop staan.
1 Bij Jou, God, mág ik schúilen;
bij Jóu verblèek ik nóoit.
2 In jòuw geréchtigheid, bevrìjd mij;
neig je oor naar mij; réd mij!
3 Wees voor mij een stérke róts,
een stevig húis, mìj tot tóevlucht.
4 Mìjn Gód, bevrìjd mij
uit de handen van de verdwáasden.
5 Want Jij, mijn Gód, bent mijn hóop,
mijn vertróuwen van jòngs af áan;
6 van de moederschoot àf ben Jíj mij tot stèun.
Voor Jou was steeds mijn lóflied.
7 Voor velen was ik verbázingwékkend
– Jíj was mijn stèrkte, mijn tóevlucht.
8 Mijn mònd is vól van jouw lòf,
mijn dagen van jouw lúister!
9 Ook in mijn óuderdom verláat Jij mij niet,
wanneer mijn kráchten bèzwíjken,
10 wanneer belàgers lóeren op mijn lèven:
11 “Jaag hem op. Er is geen verlósser!”
12 God, wees dán niet vér van mij;
mijn Gód, kom hàastig mij te húlp!
13 Laat mijn tègenstánders verblèken,
die mijn wezen weerstreven vergáan.
14 Maar ik, ik blijf hópen en zingen jouw lóf.
15 Ik zal vertéllen van jòuw geréchtigheid;
hoewel ik jouw hàndelen níet kan bevàtten,
16 zal ik verkondigen jouw geréchtigheid.
17 Mijn God, Jij onderwees mij van jóngs af áan
en nú nog vertel ik jouw gròte dáden.
18 Nu mijn haren grìjzen: jouw nabíje kràcht
zal ik alle komenden verkóndigen.
19 Groot is jouw gerechtigheid, God – wíe is als Jóu?
20 Ik zag veel benáuwdheid èn tégenslag.
Jij doet mij herlèven úit de dìepten.
21 Dat ik rechtop mag staan, vertróost mij.
22 Dan zal ik jouw tróuw bezíngen
met hármonie van snàren, mijn Gód.
23 Heel mijn wezen zìngt van zálighèid:
24 = “In jouw gerechtigheid heb Jij mij bevríjd!”

