Joh.6,30-35 (21/04/2026)

30     Ze zeiden hem daarop:
       “Welk teken doe jij dan,
       zodat wij [in]zien en je vertrouwen?
       Wat is jouw werk?
31     Onze voorvaderen hebben het manna gegeten in de woestijn
       – zoals geschreven staat:
       brood uit de hemel gaf hij hen te eten.” [Ps.78,24]
32     Jezus antwoordde hen:
       Amen, amen, ik zeg jullie:
       Niet Mozes heeft jullie het brood uit de hemel gegeven,
       maar mijn Vader geeft jullie het ware brood uit de hemel.
33     Want het brood van God
       is hij die neerdaalt uit de hemel
       en leven geeft aan de wereld.”
34     Nu zeiden ze tegen hem:
       “Heer, geef ons altijd dat brood!”
35     En Jezus zei:
       “Ik ben het brood ten leven.
       Wie naar mij toe komt, zal geen honger meer hebben,
       en wie in mij vertrouwt, zal nooit meer dorst hebben.”

Mozes zou inderdaad niet akkoord gegaan zijn als ze zouden zeggen dat híj het ‘brood uit de hemel’ gaf. Gód gaf dat brood, en hij was niet meer dan een bemiddelaar. Voor Jezus geld hetzelfde: het is G-d, zijn Vader, die hem aan de wereld schenkt. Wat met Jezus natuurlijk wel bijzonder is, is dat hijzelf dat ‘brood uit de hemel’ ís!
Voeden wij ons dááraan? En laten wij ons vertrouwen in hem onze dorst lessen?
Het klinken heel hoogdravende gedachten, maar toch …
Gisteren hoorden we het ook al: Voor welk voedsel doen we moeite? Nemen we de tijd om dat ‘woord van G-d’ tot ons te nemen en om het te laten ‘verteren’? Leunen we zo dicht tegen hem aan dat we zijn harteklop voelen en in zíjn ritme komen?
Waarom hebben we het daar zo moeilijk mee, als je ziet welk een belofte eraan verbonden is?: “Wie naar mij toe komt, zal geen honger meer hebben, en wie in mij vertrouwt, zal nooit meer dorst hebben.”

Het onderweghuis

logo
  Het Onderweghuis
  Grote Baan 121
  2235 Hulshout
  BE47 9796 4400 0280