Joh.15,1-8 (6/05/2026)
1 Ik ben de ware wijnstok
en mijn Vader is de wijngaardenier.
2 Elke rank die in mij geen vrucht draagt, haalt hij weg,
en elke die wel vrucht draagt, snoeit/zuivert hij
opdat ze meer vrucht zou dragen.
3 Jullie zijn al gesnoeid/gezuiverd
door het woord dat ik tegen jullie gesproken heb.
4 Verblijf in mij – zoals ik in jullie.
Zoals de rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf
als hij niet verblijft in de wijnstok,
zo ook jullie niet
als je niet verblijft in mij.
5 Ik ben de wijnstok
en jullie zijn de ranken.
Wie in mij verblijft – zoals ik in hem,
die draagt veel vrucht.
Want zonder mij kunnen jullie niets.
6 Als iemand niet verblijft in mij,
is hij buitengeworpen en verdord, zoals de rank.
Men verzamelt ze om in het vuur te gooien
en te worden verbrand.
7 Als jullie in mij verblijven
en mijn woorden in jullie verblijven,
vraag dan wat je wil
en het zal je gebeuren.
8 Hierin toont zich de grootheid van mijn Vader:
dat jullie veel vrucht dragen
en mijn leerlingen worden.
Het valt me op dat Jezus zijn leerlingen vanaf hier geen dienaars meer noemt, maar vrienden, en dat verandert alles. Een vriend staat immers niet onder je, maar naast je. Bij vrienden is er geen sprake van dwang, maar van verbondenheid waardoor wederkerigheid en nabijheid voelbaar wordt.
Wat deze vriendschap bijzonder maakt, is dat ze niet vertrekt vanuit onze eigen keuze, maar vanuit de zijne. Nog vóór wij iets kunnen bewijzen, worden we al aangesproken als vriend. Tegelijk vraagt deze vriendschap niet alleen om ontvangen te worden, maar ook om te worden doorgegeven.
Het is dus geen vrijblijvende band, maar een levende relatie. Het is een vriendschap die mensen met elkaar verbindt, over verschillen heen. Misschien is dat de echte uitdaging: niet de ander kiezen op basis van voorkeur, maar hem/haar ontvangen als medemens, zoals wijzelf ontvangen zijn. In zo’n vriendschap kan iets groeien dat verder reikt dan onszelf — en vrucht draagt.

