Joh.20,24-29 (3/07/2026)

24     Maar Tomas, die ‘de tweeling’ wordt genoemd,
       één van de twaalf,
       was niet bij hen toen Jezus kwam.
25     De andere leerlingen zeiden hem: “We hebben de Heer gezien!”
       Maar hij zei tegen hen:
       “Als ik in zijn handen de inslag van de spijkers niet zie
       en er mijn vingers in kan steken,
       en als ik mijn hand niet in zijn zijde kan leggen,
       hoe kan ik het dan vertrouwen?”
26     Acht dagen later waren zijn leerlingen weer bijeen
       en nu was Tomas er wel bij.
       Jezus kwam – terwijl de deuren gesloten waren – in hun midden
       en zei: “Vrede voor jullie!”
27     Daarna zei hij tegen Tomas:
       “Kom met je vinger, kijk naar mijn handen,
       kom met je hand en leg die in mijn zijde.
       Wees niet wantrouwig, maar vertrouw!”
28     Tomas antwoordde hem: “Mijn Heer en mijn God!”
29     Jezus zei hem:
       “Omdat je mij gezien hebt, ben je gaan vertrouwen.
       Gezegend wie niet gezien heeft én vertrouwen!”

Tomas wordt vaak herinnerd als degene die twijfelde, ‘de ongelovige’. Was hij minder gelovig dan de anderen — of was hij eerlijker? Hij kon niet leven van wat anderen hem vertelden. Hij wilde zelf aanraken, zelf ervaren, zelf weten of er nog hoop is na teleurstelling. Hij wil niet weten van een verhaal waarin de wonden verdwenen zijn.
Hij lijkt mij te zeggen: Als G-d alleen bestaat waar alles lukt, waar gezondheid wint, waar alles mooi en afgerond is — dan hoeft het voor mij niet. Maar als G-d ook aanwezig kan zijn en blijven te midden van ontgoocheling en pijn, dan wil ik blijven kijken.
Het is een diepe Bijbelse lijn: niet dat ellende op zich iets goeds is, maar dat G-d zich juist daar niet uit terugtrekt, maar er middenin verschijnt.
Zou de G-d waarin Tomas wil geloven dan misschien een G-d zijn door alles heen: Niet ondanks de wonden, maar erdoorheen?

Het onderweghuis

logo
  Het Onderweghuis
  Grote Baan 121
  2235 Hulshout
  BE47 9796 4400 0280