Lc.18,9-14 (26/10/2025)
9 Met het oog op sommigen
die van zichzelf vertrouwden dat ze integer waren
en neerkeken op de rest,
vertelde Jezus nu deze gelijkenis:
10 “Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden.
De ene was een farizeeër, de andere een tollenaar.
11 De farizeeër ging staan en bad over zichzelf:
“God, ik dank je
dat ik niet ben zoals de andere mensen:
grijpgraag, onrechtvaardig, overspelig, …
of zoals die tollenaar.
12 Ik vast twee maal per week
en ik sta een tiende van al mijn inkomsten af.”
13 De tollenaar bleef op een afstand staan,
hief zelfs zijn ogen niet naar de hemel,
maar sloeg zich op de borst:
“God, wil je verzoenen met mij, zondaar die ik ben.”
14 Ik zeg jullie:
Híj keerde naar huis terug integer geworden,
en niet de ander.
Want ieder die zichzelf groter maakt,
zal kleiner worden,
en wie zichzelf kleiner maakt,
zal groter worden.”
“Twee mensen gingen op naar de tempel”, de plaats van ontmoeting met G-d. Het verhaal speelt zich dus af ín de tempel, daar waar ruimte is en tijd voor het mysterie van G-d. En in het bidden zoeken we contact met dat goddelijke mysterie. We mogen er binnentreden in G-ds liefde en er wordt ruimte gecreëerd om te groeien in die wederzijdse verhouding met G-d.
Daarbij vertelt de parabel iets over wie G-d is voor de ene en wie voor de ander. De farizeeër houdt een zelfspraak tegen G-d, als tegen een publiek. Voor de tollenaar is G-d degene aan wie het meest essentiële gevraagd wordt: help mij, red mij. Wie is G-d voor mij?
Op het einde vertrekt de farizeeër naar huis met lege handen. G-d kon niets voor hem doen. Hij acht zichzelf beter dan anderen. Hoe dodelijk is het, om zo naar anderen te kijken en over hen te praten?
De tollenaar gaat gerechtvaardigd naar huis. Hij opende zich en vraagt in alle nederigheid G-ds hulp voor zijn klein-menselijkheid.

