Lc.16,19-31 (5/03/2026)
19 Er was eens een rijk man.
Hij ging gekleed in purper en fijn linnen
en hield elke dag een schitterend feestmaal.
20 En er was ook een arme, die Lazarus heette,
die – bedekt met zweren – neergelegd was aan zijn poort,
21 in de hoop zijn buik te kunnen vullen
met de kruimels die van de tafel van de rijke vielen.
Maar alleen de honden kwamen
om zijn zweren af te likken.
22 Nu gebeurde het dat de arme stierf
en door de engelen weggedragen werd
naar de schoot van Abraham.
En ook de rijke stierf en werd begraven.
23 Terwijl hij kwellingen onderging in het schimmenrijk [hades/sjeool],
sloeg hij zijn ogen op en zag van verre Abraham,
met Lazarus in zijn schoot.
24 Hij riep: “Vader Abraham, ontferm je over mij,
en stuur Lazarus,
dat hij de top van zijn vinger in water doopt
en mijn tong komt verkoelen,
want ik lijd pijn in deze vlam!”
25 Abraham antwoordde echter:
“Kind, herinner je je
hoe je in jouw leven je goede dingen hebt aangenomen
en Lazarus evenzo de kwade?
Nu wordt hij hier getroost en lijd jij pijn.
26 En bij dit alles gaapt tussen ons en jullie een grote kloof,
zodat wie zou willen overstappen van hier naar jullie
dat niet kan,
en ook niet van jullie naar ons.”
27 Nu zei hij: “Dan vraag ik je, vader,
dat je hem stuurt naar het huis van mijn vader
28 – want ik heb nog vijf broers –
om daar een getuigenis af te leggen,
zodat zij niet ook in deze plaats van kwelling terecht komen.”
29 Abraham antwoordde hem:
“Ze hebben Mozes en de profeten,
laat ze naar hen luisteren!”
30 Maar hij zei: “Ach nee, vader Abraham …
maar als iemand uit de doden naar hen gaat,
zullen ze zich wel bekeren!”
31 Nu besloot Abraham:
“Als zij zelfs niet luisteren naar Mozes en de profeten,
zullen ze zich ook niet laten overtuigen
door iemand die uit de doden opstaat.”
Mensen van alle tijden en culturen hopen op iets wat men noemt ‘immanente rechtvaardigheid’: dat het goede op een of andere manier wordt beloond en het kwade bestraft.
Rechtssystemen proberen dit gestalte te geven, maar het lijkt ook van alle tijden en culturen te zijn dat ze daar zeker niet altijd in slagen. Mensenwerk draagt eigenlijk altijd de ambiguïteit van goed en kwaad in zich.
Godsdiensten proberen het ruimer te zien. Enerzijds wijzen ze op een meer innerlijke ‘beloning’ voor het goede: leven met een rein geweten voelt zoveel beter aan. Anderzijds wijzen ze ook naar een herstel van rechtvaardigheid voorbij dit aardse leven.
Je zou kunnen denken dat wie níet gelooft in een leven na de dood, die rechtvaardigheid des te meer zou verwachten bínnen dit leven. Maar het omgekeerde blijkt echter vaak het geval, zoals Jezus in zijn parabel opmerkt. Hoewel Jezus uitdrukkelijk wél uitgaat van een leven na de dood, lijkt het voor hem ook vanzelfsprekend dat dát geloof niet nodig is om hier en nu rechtvaardig te leven! Mensen zijn elkaars uitnodiging tot dit ‘rechtvaardige leven’!
Hoe blind of doof ben ik voor de uitnodiging die vandaag voor mijn deur ligt?

