Mc.1,14-20 (12/01/2026)
14 Maar nadat Johannes gevangen genomen was,
ging Jezus naar Galilea
en verkondigde hij de bevrijdende boodschap
van het koningschap van God:
15 “De tijd is vervuld
en het koningschap van God is dichtbij gekomen.
Keer je innerlijk om
en vertrouw op deze bevrijdende boodschap.”
16 Rondwandelend langs het meer van Galilea
zag hij Simon en zijn broer Andreas,
die netten aan het uitwerpen waren in het meer
– zij waren namelijk vissers.
17 “Kom, mij achterna, riep Jezus hen,
en ik zal je doen groeien tot vissers van mensen!”
18 Onmiddellijk lieten zij hun netten los en volgden hem.
19 Een beetje verder gaande zag hij Jakobus,
de zoon van Zebedeus,
en zijn broer Johannes.
Ze waren in hun boot de netten aan het herstellen.
20 Onmiddellijk riep hij hen
en lieten zij hun vader in het schip met de dagloners los
en gingen weg, hem achterna.
Jezus begint aan zijn ‘werk’, de verkondiging en de opbouw van ‘het rijk G-ds’. Maar hij beseft van bij de aanvang dat hij dat niet alleen kan. Nee, zelfs hij kan het rijk G-ds niet op z’n eentje bouwen. En dat gaat er niet alleen om dat hij maar een beperkte tijd heeft en niet overal tegelijk kan zijn, en dus in die zin anderen zou nodig hebben om het na hem en op andere plaatsen te gaan doen. Het is ook veel wezenlijker: het rijk G-ds is ‘in se’ gemeenschap, en dus samen. Niemand kan het rijk G-ds alléén beleven.
Uiteraard zijn er – noodzakelijk!, dat zien we ook bij Jezus – ook momenten van stille afzondering om de innige band met die G-d te zoeken en te versterken, maar uiteindelijk zul je van daaruit toch altijd gezonden worden naar je mede-mensen. Zonder die mede-mensen zouden wij trouwens nooit ‘opgevist’ worden óm het rijk G-ds te leren kennen.
Laten we er dus maar aan beginnen, ja vandaag, om het rijk G-ds te beleven – en dat zal op een of andere manier samen met andere mensen zijn …

