Mc.4,21-25 (29/01/2026)
21 Ook zei hij tegen hen:
“Men brengt toch geen lamp
om haar onder een korenmaat [emmer] te zetten
of onder een bed?
Zal zij niet op een staander worden gezet?
22 Want niets is verborgen
dat niet zichtbaar zal worden;
niets is geheim
dat niet openbaar zal worden.
23 Wie oren heeft om te horen, moet luisteren!”
24 Verder zei hij:
“Let op wat je hoort!
Met de maat waarmee je meet,
zal ook voor jou gemeten worden
– en zelfs nog daar bovenop.
25 Want wie [de houding van de leerling] heeft,
hem zal [de kennis van Gods koningschap] gegeven worden.
En wie niet [de houding van de leerling] heeft,
hem zal zelfs nog ontnomen worden
wat hij dacht [aan kennis over Gods koningschap] te hebben.
Ooit is er een man geweest die wonderlijke, bevrijdende dingen deed. Hij verrichtte goddelijke daden. De mensen konden niet anders dan vragen wie hij was. “Ik ben het licht”, zei hij. Dit licht onder een korenmaat of onder je bed zetten, zou doodjammer zijn. Het wezenlijke van licht is immers dat het wíl schijnen en de duisternis verjagen. Waarom zouden we het verbergen, onzichtbaar maken of verhuizen naar ons privéleventje? Moeten we het niet veeleer alle kansen geven? Misschien aarzelen we omdat het licht ons confronteert met onze duistere kanten en leeft er angst in ons om de waarheid onder ogen te zien?
Nochtans zijn er de tijden door mensen geweest die het aandurven. Zij aarzelen niet om te getuigen van het licht. Zij laten het licht schijnen over hun leven, de consequenties inbegrepen. Deze mensen worden steeds inniger zijn leerlingen, zo raken zij steeds meer ‘in kennis met’ G-d. “Wie heeft zal gegeven worden.”

