Mc.8,14-21 (17/02/2026)
14 Nu hadden ze vergeten brood mee te nemen
waardoor ze maar één brood bij zich hadden in de boot.
15 Jezus drukte hen op het hart:
“Zie toe, pas op
voor het zuurdesem van de farizeeën
en het zuurdesem van Herodes!”
16 Zij bleven onder elkaar overleggen
dat ze geen broden hadden.
17 Toen Jezus dat merkte, zei hij tegen hen:
Waarom blijven jullie zeggen dat je geen broden hebt?
Besef en begrijp je het nu nog niet?
Is jullie hart nog zo verhard?
18 Jullie hebben ogen, en je ziet niet?
Jullie hebben oren, en je hoort niet?
Herinneren jullie je niet
19 dat ik de vijf broden heb gebroken voor vijfduizend mensen?
Hoeveel korven vol resten heb je toen verzameld?”
Ze zeiden: “Twaalf.” [Mc.6,41-44]
20 “En toen ik de zeven broden brak voor vierduizend mensen,
hoeveel manden met resten heb je toen verzameld?”
Ze zeiden: “Zeven.” [Mc.8,5-9]
21 Hij zei hen: “En je begrijpt het nóg niet …?”
Ook de leerlingen van Jezus ‘zien’ niet zomaar de ‘tekenen’ (cf. gisteren). ’t Is te zeggen: Ze hebben ze wel gezien, ze kunnen ze zich zelfs herinneren, maar ze begrijpen ze nog niet. Dus het zijn niet alleen de farizeeën waarover Jezus zijn zucht slaakt, het blijkt helaas ook nodig ten aanzien van zijn leerlingen. “Begrijp je het nu nóg niet …?”
Hoeveel geduld moet Jezus met zijn leerlingen hebben? Hoeveel geduld moet hij met óns hebben? Hoeveel geduld moet G-d met de wereld hebben? Vinden wij het niet een beetje te vanzelfsprekend dat hij eindeloos geduld met ons heeft? Of zouden we dat éindelijk als een ‘wake-up-call’ kunnen horen om ons ‘verharde hart’ te ontdooien?
Dan zullen we beter zien, beter horen – beter inzien én beter gehoorzamen! Dán zullen we vervuld zijn van zijn brood, zijn woord, hemzelf.

