Mt.15,21-28 (5/08/2026)
21 Jezus ging van daar weg
en trok zich terug naar de [‘heidense’] streek van Tyrus en Sidon.
22 Kijk! Een Kananeese [dus ‘heidense’] vrouw uit dat gebied
kwam naar hem toe en schreeuwde:
“Heb medelijden met mij, Heer, zoon van David!
Mijn dochter is in de macht van iets kwaads.”
23 Hij echter antwoordde haar geen woord.
Zijn leerlingen die bij hem waren, zeiden:
“Stuur haar weg, want ze schreeuwt achter ons aan.”
24 Hij antwoordde echter:
“Ik ben alleen gezonden
naar de verloren schapen van het huis van Israël.”
25 Zij viel echter voor hem neer en smeekte:
“Heer, help mij!”
26 Maar hij antwoordde:
“Het is niet goed het brood van de kinderen te nemen
en dat naar de hondjes [= de heidenen] te werpen.”
27 Zij echter weerlegde:
“Toch wel, Heer,
want ook de hondjes eten van de kruimels
die van de tafel van hun meesters vallen.”
28 Toen antwoordde Jezus haar:
“O vrouw, groot is je vertrouwen!
Het moet gebeuren zoals je bedoelt.”
En vanaf dat uur was haar dochter geheeld.
We kunnen uit dit verhaal zowel Jezus als voorbeeld nemen voor onszelf, als de ‘heidense’ vrouw.
En dan denken we wellicht al snel dat Jezus wel het vrome voorbeeld zal zijn, maar hier is dat juist niet het geval! Hij is nogal stug, zeg maar: onvriendelijk. Dááraan moeten we dus geen voorbeeld nemen! Wél aan het feit dat hij zijn eigen gedachten durft te laten openbreken door een ‘vreemdeling’. Hij heeft zich te bekeren! – maar hij doet het ook …
Van de heidense vrouw hebben we te leren dat we de moed moeten hebben te blijven aandringen bij G-d, ook als wij hem meer dan eens als stug, misschien zelfs onwillig, onvriendelijk of afwezig ervaren. Wij mogen G-d ‘vermurwen’. Dat kun je best van al met iemand die je net heel graag ziet! Bij die mogen wij werkelijk het allerdiepste van ons verlangen uitspreken, zelfs uitschreeuwen. Uiteindelijk láát hij zich blijkbaar vermurwen …

