Psalm 27

Psalm 27

Psalm 27

Mijn God, Jij bent mijn licht en verlòssing.
Voor wie zou ik vrézen?
Jij bent mijn kràcht tot lèven.
Voor wìe zou ik bàng zijn?

Kwaden stormden op mij àf
– ze lustten mij ráuw –;
tegenstanders stonden tègen mij òp,
maar zij, zìj kwamen ten vàl.

Al slaat men kamp tegen mij òp,
mijn hart vreest níet.
Al stookt men oorlog tègen mìj,
ik blìjf vertròuwen.

Een iets slechts, zòek ik, mijn God,
dat ik mag verblijven in Jóu,
jouw beminnen màg bemìnnen,
al de dagen vàn mijn lèven.

Ja, Jij laat mij schùilen bij Jou
op de dag van het kwáad.
Jij hèrbergt mìj
hoog òp de ròts.

Zo mag ik rechtop blìjven,
ondanks de vijanden rondom míj.
Daarom draag ik mijn vrèugde aan Jou òp:
zang en muziek voor Jòu, mijn Gòd!

Hoor, Heer, mijn roepende stèm.
Wees mij genadig. Antwoord míj!
Mijn hart zegt Jou nà: “Zoek Mìj”,
en ik zòek jouw nabìjheid.

Verberg Je niet voor mìj;
verwerp je dienaar niet in tóorn.
Mijn hulp ben Jìj – altìjd.
Verlaat mij niet, Gòd, mijn verlòssing.

Mijn vader en moeder kunnen mij verlàten –
Jij, mijn God, hebt mij al áangenomen.
Leer mij, Gòd, jouw wèg;
leid mij op èffen pàden.

Laat mij ontsnappen aan mijn tègenstanders.
Geef mijn wezen niet aan mijn verdrúkkers,
want zij getuigen lèugens tegen mìj
en brìesen van gewèld.

Als ik niet had geloofd in jouw bemìnnen
in het land van de lévenden …
Wacht dan de Heer; wees stèrk van hàrt,
vat moed; wàcht de Hèer!

Gezongen door zuster Godeliph (St.-Trudoabdij) en Elke Poppe (pastorale eenheid Sint-Trudo-Assebroek), met citerbegeleiding

 

Aanzet Psalm 27 

Goede wijn behoeft geen krans, zegt men. Voor deze prachtige en krachtige Psalm zou dat helemaal kunnen opgaan. Maar het kan geen kwaad toch op een paar elementen te wijzen. Volledig kunnen we niet zijn, daarvoor is er te veel. Zoek ook maar zelf 😊!
Dat de Psalm gaat over een en al vertrouwen, is nogal duidelijk. Daarin is Psalm 27 overigens niet de enige; we hadden dat al vele keren, het is een basisthema in het geheel van de Psalmen. Toch is het hier sterker dan doorsnee.
Gewoonlijk is het schema:

de psalmist klaagt over iets
‘maar toch’ her-inner-t hij zich G-ds grote daden uit het verleden
‘en dus’ vertrouwt hij ook nu
(en dankt daar vaak nu al om, ook al moet het nog komen)

Hier vliegt hij er onmiddellijk in:

Jij bént mijn verlossing,
Jij bént mijn kracht,
er is niets om bang voor te zijn! (v.1)

Zijn vertrouwen is blijkbaar groot (of brengt hij zichzelf dat net in herinnering, omdat hij het dreigde te vergeten?). Maar het is geen goedkoop trucje! Doorheen alle sterke uitingen van vertrouwen wemelt het in de Psalm van situaties waar een mens wel degelijk wel eens bang zou kunnen van worden. Dat gaat zelfs zó ver tot de quasi ondenkbare situatie dat “mijn vader en moeder mij kunnen verlaten” (v.10). (Dit kan een heel werkzame Psalm zijn voor mensen die dit wel degelijk hebben moeten meemaken!) Maar iedere keer opnieuw keert hij terug naar dat vertrouwen. Dát krijgt het eerste en het laatste woord, daarbinnen ligt alles vervat, daarbinnen worden wij gedragen.
Dat laatste wordt mooi zichtbaar in de opbouw van de Psalm: v.1-3 vormen a.h.w. de korte samenvatting van de gehele Psalm: de ‘inclusio’ (v.1 & 3) van het vertrouwen omgeeft de rampspoed die een mens kan overkomen (v.2). Hetzelfde slot als in v.3 komt dan terug in v.14!
Het centrale ‘orgaan’ – symbool zouden wij zeggen, maar de Bijbelse mens dacht ‘fysieker’ dan wij – voor dit alles is het hart. Het wordt expliciet genoemd in v.3, 8 en 14, maar impliciet zit het ook in v.1 (niet vrezen, cf. v.3), v.4 (beminnen), v.6 (vreugde), v.12 (mijn wezen) en v.13 (opnieuw beminnen).
Als we die elementen even volgen, komen we op een belangrijke ‘lijn’ uit: Met al dat onmiddellijke en sterke vertrouwen – sterk van hart – kan het lijken of onze psalmist een nogal heldhaftig persoon is met veel eigen kracht. Hij zegt wel dat “Jij mijn kracht bent”, maar hij lijkt het toch maar zelf te doen. Maar dat klopt niet als we verder lezen: “Mijn hart zegt Jou na!” (v.8) Alles wat de psalmist zegt en doet, doet hij eigenlijk op influistering van G-d zelf! Gód zet hem in beweging, Gód is het die zelf het initiatief neemt om hem zijn vertrouwen te doen uitspreken!
Het doet mij denken aan een soefi-verhaaltje van de grote Islam-mysticus Rumi dat ik onlangs tegenkwam. Aan iemand die klaagde dat God niet luisterde naar zijn gebed, gaf God ten antwoord: Jouw roep ís mijn antwoord! Ín jouw roepen, ben Ik. (een sterke doordenker!)

In diepte gaat de Psalm dus misschien niet alleen over vertrouwen, maar over een innige aanwezigheid (waaruit dan dat vertrouwen voortvloeit) – ínwezigheid zouden we nog preciezer moeten zeggen.
v.4 is daarin naar mijn aanvoelen uitermate cruciaal:

Een iets slechts zoek ik, mijn God, (cf. v.8)
dat ik mag verblijven in Jou,
jouw beminnen mag beminnen, (cf. v.13)
al de dagen van mijn leven.

De term die hier gebruikt wordt voor ‘verblijven’ doet denken aan de tempel. Dat is de plaats waar … Gód verblijft! Wie verblijft dan in wie? Ínwezigheid is hier een goede uitdrukking voor. De link naar de tempel heb ik met opzet niet in de vertaling opgenomen, net omdat in het Bijbelse denken Gods ‘inwezigheid’ zich niet beperkt tot de tempel. De Joodse spiritualiteit gebruikt er het woord ‘sjechina’ voor. Dat weerspiegelt zich ook in dat gebalde vers ‘dat ik jouw beminnen (dus Gods beminnen) mag beminnen’. Het is een wederzijds ‘spel van liefde’. Misschien laat zich dat samenvatten in de tempel (zoals v.6cd dan zingt), maar het is inderdaad iets voor “al de dagen van mijn leven”.

Het onderweghuis

logo
  Het Onderweghuis
  Grote Baan 121
  2235 Hulshout
  BE47 9796 4400 0280