Psalm van de maand: januari
Psalm 7
Heer mijn God, bij Jou schúil ik,
bevrijd mij van mijn vervolgers, réd mij,
dat zij mij niet verschèuren als een leeuw,
mij niet grijpen terwijl nìemand mij redt.
Heer mijn God, als ik dít heb gedaan:
als er ónrecht kleeft aan mijn handen,
als ik goed met kwàad heb vergolden
of mijn vijand redeloos heb beròofd,
laat dán mijn vijand mij achtervolgen,
laat ze mij overméesteren,
mijn leven vertràppen in de aarde
en mijn eer ten ònder doen gaan!
Heer, sta op tegen de woede van mijn vervólgers.
Grijp in. Van Jou gaat récht uit.
Heer, naar mijn rechtvàardigheid,
oordeel mij. – Ik ben intèger.
Laat toch het kwaad van de dwazen verdwíjnen
en bevestig de rechtváardigen;
Jij die hart en nieren doorgròndt,
Jij bent rechtvàardig, God.
Mijn God, Jij bent mijn schíld;
Jij verlost de opréchten van hart.
Jij bent een rechtvàardige rechter
en verontwaardigt Je èlke dag.
De vijand scherpt zijn zwáard,
ze spannen hun bóog, leggen aan,
maar ze bereiden zichzèlf de dood,
met wapens als brandende pìjlen.
Zie, wie ongerechtigheid ontvángt
is zwanger van onheil en baart léugen.
Hij graaft een put en dìept hem uit
maar valt zèlf erin.
Het onheil van de verdwaasde keert op hem terúg,
zijn geweld valt op zijn éigen hoofd.
Heer mijn God, ik dank Je om je gerèchtigheid.
Ik zal bezingen jouw allerhoogste Nàam!
Gezongen door Wouter Deruwe
Psalm 7 Aanzet
Psalm 7, nog maar eens een psalm van David. David, de kleine herdersjongen, is op weg om David, de grote koning, te worden. En die weg gaat niet zonder moeilijkheden.
Misschien ken je het verhaal nog wel. Toen Samuël aan Jesse kwam vertellen dat één van zijn zonen koning zou worden en hem vroeg om hem aan zijn zonen voor te stellen, werd de kleine David gewoon vergeten. Zijn grote broers kwamen op het appel, terwijl hij als jongste bij de schapen bleef. En Samuël, die van Godswege op zoek was naar de échte koning, moest Jesse vragen of er niet nog ergens een zoon van hem verborgen zat, want in die grote stoere jongens had hij niet de ‘koning’ ontdekt.
David is het dus als kleine jongen al toegezegd, van buitenaf, dat hij de zorg voor het volk op zich moest nemen. In het zorgen voor de schapen van zijn vader leert hij stap voor stap de stiel van het ‘herderen’. Meer en meer gaat hij van binnenuit voelen dat dit inderdaad zijn weg is: herder worden over het volk van God.
David moet koning worden, hij moet koning Saul vervangen. Saul heeft in zijn carrière te vaak op eigen kracht gebouwd. Te vaak heeft Saul niet geluisterd naar de Heer. David moet het anders doen, hij moet – in voorspoed én in tegenspoed – bouwen op de kracht van de Heer. Dat doet David ook: hij luistert naar die roep die leeft die in zijn binnenste. En Samuel heeft die roep veruitwendigd: David moet koning van Israël worden, hij moet Gods koning van Israël worden.
Misschien ken jij dat ook wel, dat er diep in je binnenste iets leeft waarvan jij weet: ‘Dit moet ik doen, dit is wie ik in wezen ben.’ Of om het in religieuze termen te zeggen: ‘Dit is wat God van mij verlangt.’ Vaak is het niet meer dan dat: een aanvoelen, een verlangen, een dieper weten. Soms, als je geluk hebt, noemen mensen je ook wel eens iets in die trant. Ze hebben het aan jou gezien, ze hebben het in jou gevoeld dat dit jouw weg moet zijn. Zij hebben dat inwendige weten mee veruitwendigd, en daardoor wordt die roep in jou bevestigd, verstevigd. En zo ontdek je stilaan wat jou roept, waartoe jij geroepen wordt. Net zoals die kleine David geroepen werd om koning te worden.
Voor David loopt de weg naar het koningschap niet over rozen. Als jongeman komt hij in entourage van koning Saul terecht. Hij wordt er muzikant en verslaat zo de kwaaie emoties en gedachten van koning Saul. En terwijl hij in dienst is van koning Saul verslaat hij ook de reus Goliath. Dat maakt hem populair bij de Israëlieten, en daar wordt koning Saul jaloers op. Van vertrouweling wordt David verstoteling, opgejaagd wild, ‘wanted, dead or alive’. En juist in deze situatie schreeuwt David het uit naar God toe.
Wat mij in deze psalm spontaan opviel, was de scharnier: ‘Ik ben integer.’ Ja, David wordt gezocht, vervolgd, opgejaagd. Hij moet vluchten voor zijn leven. Maar hij weet: ‘Ik ben integer, ik deed en doe alleen maar wat God mij opdraagt.’ Alleen, dat wat God hem opdraagt, dat weet hij alleen van binnenuit – vanuit zijn eigen hart, vanuit zijn eigen wezen, vanuit zijn diepste verlangen – én gelukkig ook vanuit wat iemand als Samuël hem heeft voorgezegd. Het is die in- en uitwendige roep waar hij naar leeft.
En dan lijkt het mij helemaal niet zo raar, dat de psalm is opgebouwd zoals ze is:
1. Een roep naar God toe om een plek om te schuilen, om redding van de achtervolgers.
2. De twijfel aan de eigen roep: Heb ik dit onrecht over mij afgeroepen omdat ik verkeerd deed, omdat ik toch niet helemaal deed wat ik – vanuit die innerlijke roep – had moeten doen?
3. De vraag naar een rechtvaardig oordeel. Moge God over mij en over mijn achtervolgers oordelen.
4. Ik ben integer. Of althans, dat probeer ik te zijn. Ik probeer naar Godsvrucht en vermogen te leven naar die roep in mij.
5. Het vertrouwen in het rechtvaardige oordeel van God. Het vertrouwen ook dat God hem nabij blijft.
6. Het lot dat de vijanden wacht. Ze zullen aan hun eigen geweld ten onder gaan.
7. Dankbaarheid om de gerechtigheid van God.
Misschien ken jij dat ook wel, dat je probeert te leven naar die roepstem in jou. En soms gaat de weg over rozen, dan gaat alles goed. Dan voel je dat je iets mag betekenen, dan noemen mensen dat het deugd doet dat jij er bent, dan voel je een diep soort gelukkig zijn. Maar soms loopt de weg niet zozeer over rozen, maar meer over doornen. Dan komt er tegenstand, jaloersheid, onbegrip. En dan kun je gaan twijfelen: ‘Was ik wel juist, moest ik wel doen wat ik nu doe?’ Het is alsof jouw roeping vraagt om uitzuivering. Soms ga je bijsturen omdat je, vanuit de moeilijkheden op je weg, net een beetje anders leert kijken en net een beetje anders leert doen. Soms kom je tot de conclusie dat je wel degelijk op de juiste weg bent, en dat je moet doorzetten, tegen alle tegenwind in. De combinatie van die twee maakt dat jij kunt zeggen: ‘Ik ben integer.’
Als ik naar mezelf en naar mijn eigen leven kijk, dan zie ik dat juist daarin, in dat weten dat ik doe wat ik moet doen – Ik ben integer. –, mezelf gelovig kan noemen. Ik herken én erken dat niet ikzelf, maar ‘Jij’ mijn leven leidt. En dat maakt dat ik, door de moeilijkheden heen, blijf vertrouwen. En ja, ook ik ben dankbaar om de weg die ‘Jij’ met mij wil gaan.

