Psalm van de maand: april
Psalm 37
Aangaande de boosdoeners: wées niet afgúnstig,
want zij verwélken snèl als het grás.
Bewoon het lànd, bóuwend op de Hèer.
God is genoeg. Hij geeft wat je hart verlángt.
Draag je weg op aan Hém en vertróuw;
je gerechtigheid zal strálen àls de míddagzon.
En zwijg stìl – wácht de Hèer;
wees niet afgunstig op wiens weg voorspóedig is.
Fixeer je niet op ergernis; dat bréngt slechts scháde;
bozen zullen verdwíjnen; vròmen erven de áarde.
Geen verdwàasde wordt stráks nog gevònden,
maar nederigheid ontvangt tevrédenheid.
Honend belaagt de verdwáasde de opréchte,
maar de Heer lácht al òm zijn óndergang.
In zijn èigen hart komt het zwáard terècht,
getrokken tegen de kwetsbaar opréchte.
Je hebt beter weinig oprecht, dan véel in dwáasheid,
want bozen worden gebróken, vròmen gestéund.
Kent de Hèer de wég van de intègeren,
zij zullen niet beschaamd staan in kwade dágen.
Laat de verdwaasden vergaan, weerstrévend de Héer;
hij léent – en gèeft nooit terúg.
Maar de rechtvàardige is barmhártig en mìld;
Gods gezegenden zullen de aarde érven.
Nooit zag ik een rechtvaardige door Gód verláten;
barmhartig en míld is hij een zègen voor vélen.
Op Gods wèg staat zijn stáp stèvig,
zelfs gestruikeld, staat hij weer óp.
Pas op voor het kwade; dóe het góede;
de Heer bewáart wie lìefheeft het réchte.
Rechtvaardig en wìjs spréekt zijn mònd,
omdat de Wijzing van God in zijn hárt is.
Spiedend loert de dwaze op de vróme om hem te ráken;
de Héer levert hem niet òver aan zijn hánden.
Tot je zìet hoe het de verdwáasde vergàat,
wacht op de Heer; houd je aan zijn wég.
Uitbundig kun je de bóosdoener zien blóeien;
een tel láter – zìe, je víndt hem niet meer.
Vrède wordt het déel van de intègere,
let daarom op hem en kijk naar opréchtheid.
Wanneer de rechtvaardige benáuwde tíjden beleeft
is de Héer zijn stèrkte en verlóssing.
Zèker zal Hij hem hélpen en rèdden,
want bij Hem zoekt hij zijn tóevlucht.
Gezongen door zuster Godeliph (St.-Trudoabdij) en Elke Poppe (pastorale eenheid Sint-Trudo-Assebroek), met citerbegeleiding
Aanzet
Toen ik de psalm voor de allereerste keer las, viel mij het antifoon uit de gewone tijd van het jaar heel erg op:
Vertrouw aan de Heer je levensweg toe;
Hij zal ervoor zorgen.
Het antifoon van de Paastijd is daar gewoon het vervolg van:
Nooit zag ik een rechtvaardige
door God verlaten. Halleluja.
Die levensweg, daar gaat het in onze psalm van de maand dus over. En dat kreeg ik ongevraagd bevestigd: psalm 37 is een alfabetische psalm, en die gaan altijd over de hele levensweg, het leven van A tot Z, als het ware.
Een eerste gevoel dat komt bovendrijven is dat van een zekere jaloezie op zij die het in dit leven (schijnbaar) heel wat makkelijker hebben dan ik. Hier worden ze de boosdoeners genoemd. En ja, het kunnen letterlijk boosdoeners zijn: zij die leven op de kap van een ander. Vaak zijn het echter ook mensen die niet zo zwaar aan het leven tillen. Ze leven van het ene plezier in het andere, een beetje oppervlakkig in onze ogen.
Dan komen vragen bovendrijven als: Waarom zie ik pijn en leed in deze wereld? Waarom laat ik me raken door wat anderen overkomt? Waarom draag ik de wereld op mijn schouders? Waarom maak ik het mezelf zo moeilijk? En dat terwijl anderen dat allemaal niet doen. Zij hebben het toch maar makkelijk.
Alleen, als het dan voor die anderen allemaal zoveel makkelijker is, waarom doen wij dan niet net als hen? Waarom kiezen wij de moeilijke, de lastige weg? Blijkbaar is er in onze levensweg – God en de medemens toegezegd – iets wat minstens even waardevol is, zo niet waardevoller. Want, wees eerlijk, zou jij je levensweg anders kunnen gaan dan je gaat?
In de psalm lezen we dat God al bij voorbaat in zijn vuistje lacht bij de oneerlijkheid van de boosdoeners, bij de dwaasheid van wie oppervlakkig leeft. Hij ziet ze verwelken nog voor ze echt tot leven kwamen. En hier komt een tweede gevoel bovendrijven. Zou het kunnen dat ik moeilijkheden, pijn en lasten op mijn weg krijg omdat ik doorheen dit alles groeien kan? Is dat wat ik te dragen krijg, Gods geschenk aan mij? Opdat Hij mij daardoorheen openbreekt, zoals zaad in de grond dat kiemen gaat?
Ik mag dit natuurlijk niet in jouw plaats beweren, maar zelf kan ik dat beamen. Ik kreeg al wel wat moeilijkheden op mijn weg. En als ik terugkijk, dan zie ik dat elk van die moeilijkheden mij gemaakt heeft tot wie ik vandaag ben. Ja, ik ben al een paar keer gebroken, … om telkens vrijer en sterker weer op te staan. Ik had mij het leven heel anders gedroomd dan het is uitgedraaid … maar als ik vandaag opnieuw zou moeten kiezen, dan zou ik wellicht diezelfde wegen gaan.
Ik denk dat God dit doet met ieder van ons (boosdoeners inbegrepen). Hij plaatst ons voor die uitdagingen die we nodig hebben om meer en meer te worden wie we in wezen zijn.
En dan kom ik bij een derde gevoel, dat van de ‘beloning’. Ik weet dat de ouderen onder ons opgegroeid zijn onder het ‘alziend Oog van God’, die strafte en beloonde als Zwarte Piet en Sinterklaas. Je moest in dit tranendal jouw deel van het lijden dragen, en dan zou je later, in de hemel, hiervoor beloond worden.
Maar nee, dat staat er niet in onze psalm. Er staat niet: ‘Gods gezegenden zullen de hemel erven’, maar wel: ‘Gods gezegenden zullen de aarde erven’. Er is geen vergelding in de zin dat wie het nu goed heeft, het later zal moeten bekopen en omgekeerd. Er is wel een ‘weten’ dat in de moeilijkheden God nabij blijft. Wij allen, we gaan de weg die we moeten gaan, maar we gaan niet alleen. Waar wij ook doorheen moeten, Hij is er ook. Hij stuwt ons, Hij geeft kracht om door te gaan, Hij is blij met ons en voor ons als we een stap vooruit zijn gegaan. En zo maakt God zijn eigen naam waar: Jahweh – Ik ben er voor jou!

