Psalm van de maand: augustus
Psalm 77
Een schorre schreeuw – ik róep naar Jou;
een schorre schreeuw – Jij lúistert naar mij!
Bij dag, in benauwdheid, zòek ik Jou, God;
bij nacht strek ik mijn hànd naar Jou uit.
Mijn wezen weigert te worden getróost;
ik blijf aan Jou denken ook al kwíjnt mijn kracht.
Jij hield mijn ogen wàkker,
onrustig ben ik en kan niet sprèken.
Dan denk ik aan de dagen van vróeger,
her-inner mij hoe wij samen spéelden.
Mijn hart overdènkt het,
mijn adem zoekt naar ìnzicht:
“Zou God dan voor éeuwig verwerpen;
zal Hij niet opnieuw verlángen?
Komt er een èind aan zijn liefde;
zou zijn belofte voltòoid zijn?
Vergeet God genádig te zijn;
sluit Hij zijn barmhartigheid áf?”
Nu weet ik mijn wònde:
Gods hand – hoe ànders kan Hij zijn!
En toch zal ik her-inneren jouw grote dáden, Heer;
jouw wonderwerken, altijd wéer.
Heel jouw handelen – ik denk erover nà,
en zal niet zwijgen van jouw grote dàden.
Jouw weg is héilig, Heer;
welke god zou zo groot zijn als Jíj?
Jij bent de God die wònderen doet,
die onder de volken je kracht hebt getòond.
Bevrijding bracht Jij jouw kínderen;
wind en water gehóorzaamden Je;
jouw weg ging over de gòlven:
Jij leidt ons – ik ben vèilig!
Gezongen door zuster Godeliph (St.-Trudoabdij) en Elke Poppe (pastorale eenheid Sint-Trudo-Assebroek) met citerbegeleiding
Aanzet – Psalm 77
Deze maand een totaal andere Psalm dan de vorige. We gaan op weg met een van de klaagpsalmen. Onze psalmist van dienst (Asaf) schreeuwt het uit naar G-d en blijft roepen tot hij er schor van wordt. Het is een rauwe, kreet om hulp. Hij ziet het niet meer zitten. De realiteit waarin hij leeft, staat lijnrecht tegenover dat wat G-d ooit aan zijn voorvaderen heeft beloofd: dat Hij zijn volk nooit in de steek zal laten. En hier zit hij dan… Waar is die G-d nu?
In al zijn ‘nadenken’ over G-d dringt zich nog een veel pijnlijkere vraag op: misschien is G-d niet meer dezelfde als vroeger. Dat geeft hem nog minder rust. Wat als G-d onvoorspelbaar of zelfs wreed geworden is? Wat als zijn beloften leeg blijken te zijn? Wat als G-d niet langer te vertrouwen is? Dan is er toch helemaal geen grond meer voor hoop. Hoe kun je dan nog leven? Waarom zou je het dan nog langer met hem wagen?
Je zou voor minder je geloof opgeven. Wat voor zin heeft het dan nog? Einde verhaal dan maar?
Dat is precies de afgrond waarin Asaf, onze psalmist, zich bevindt. Toch geeft hij niet op. Hij blijft vragen stellen. Hij blijft zich verzetten. Hij ‘weet’ hoe het vroeger was. Toen heeft hij G-d wél ervaren. Nu is er alleen nog leegte, totale leegte. Hij voelt zich door G-d verlaten. Het contrast tussen de G-d van vroeger en de ijzige stilte van nu brengt zijn verstand en zijn geloof met elkaar in botsing.
Toch blijft hij G-d opzoeken. Hij twijfelt er niet aan óf G-d bestaat. G-d is er, dat ‘weet’ hij. Juist daarin schuilt de pijn van zijn crisis. G-d: is er wel, maar gedraagt zich als een vreemde. Is G-d zijn vijand geworden? Of is hij slechts een onverschillige toeschouwer?
Je zou voor minder het contact met zo'n G-d verbreken en stoppen met bidden.
Maar dat doet Asaf niet. Hij blijft G-d aanspreken. En juist daar, op het diepste punt van zijn existentiële crisis, gebeurt er iets onverwachts. Niet zijn omstandigheden veranderen, maar zijn blikrichting. Hij kijkt niet langer alleen naar zijn eigen leven, maar ‘her-innert' zich wie G-d is.
Het terugdenken verandert in gedenken, in her-inneren. . Her-inneren is meer dan nostalgisch terugblikken. Wat G-d vroeger deed, wordt zó opnieuw gehoord dat het ook vandaag betekenis krijgt. Zijn daden worden niet alleen herinnerd, maar als het ware opnieuw werkelijkheid. Het blijft niet bij denken aan vroeger; het wordt een opnieuw beleven, hier en nu. En zo begint in vs 14 Asaf niet opnieuw bij zichzelf, maar bij G-d. Hij bezingt opnieuw zijn macht, zijn trouw en zijn heiligheid. Uiteindelijk komt zelfs de uittocht uit Egypte weer in beeld. Dat is geen toevallige herinnering. Het is het grote verhaal waarin Israël telkens opnieuw leert wie G-d is: Degene die zijn volk bevrijdt, ook wanneer er geen weg meer lijkt te zijn.
Dat is misschien wel de diepste beweging van deze Psalm. Asaf vindt geen antwoord op al zijn vragen. Zijn omstandigheden zijn niet veranderd. Maar zijn vragen komen in een ander licht te staan. Niet zijn crisis krijgt het laatste woord, maar G-ds geschiedenis met zijn volk. Zijn persoonlijke verhaal wordt opnieuw opgenomen in het veel grotere verhaal van G-ds trouw.
Misschien is dat ook wel de uitnodiging voor ons: het uithouden in de crisis. Niet om onze vragen weg te drukken of snel op te lossen, maar om ze uit te spreken, ermee te blijven worstelen en tegelijk onszelf steeds opnieuw te laten meenemen in het verhaal van G-d.
Want juist daar, midden in de crisis, groeit langzaam weer vertrouwen.
Vaak merk ik – bij mezelf én bij anderen – dat alleen al de ervaring dat deze vragen er mogen zijn, dat ze niet verzwegen hoeven te worden, op zich al heilzaam is.
Gaandeweg wordt doorheen de psalm steeds duidelijker dat G-d bestaat en dat Asaf daaraan nooit werkelijk twijfelt, zelfs niet wanneer de crisis op haar hevigst is. De her-innering wekt opnieuw het vertrouwen dat G-d er is.
Maar het blijft verdomd lastig om dat te blijven voelen wanneer een persoonlijke crisis zo diep gaat of eindeloos lijkt te duren. Soms schreeuw ik er, net als Asaf, schor van. En toch blijft uiteindelijk dat ene vertrouwen overeind:
Jij leidt ons – ik ben veilig!
Een Psalm die voor mij spreekt over verzet én overgave. En ik ben ervan overtuigd dat we beide nodig hebben om het uit te houden te midden van alle fundamentele levensvragen. Want uiteindelijk rust mijn vertrouwen niet alleen op wat ik vandaag ervaar, maar op wie G-d doorheen de geschiedenis steeds opnieuw is gebleken te zijn.
dus midden in wanhoop, twijfel en diepe nood blijft de belofte klinken:
Jij leidt ons – ik ben veilig!

