inleiding op de reeks ‘evangelie’-commentaren van de Goede Week
Gewoonlijk geven wij hier een kort commentaar op het Evangelie van de dag. Maar in de Goede Week is het ‘verhaal’ genoegzaam bekend. Jezus gaat consequent de weg van zijn leven, die inbegrijpen zijn dood en verrijzenis. Ze zijn de vervulling van hoe hij zelf heeft geleefd, maar ook de vervulling van wat hij in ‘de Schriften’ (wat wij ‘het Oude Testament’ noemen) las. Daarom volgen we dit jaar van Palmzondag t.e.m. Paas-maandag niet rechtstreeks de Evangelies, maar de eerste lezingen van die dagen.
Veel ‘uitleg’ hoeven ze meestal ook niet. Het belangrijkste is ze te overwegen: lees en herlees, zie en verwonder je, peil naar de diepte van het Godsgebeuren in de mens.
We geven telkens ook de bijhorende Psalm mee. Jezus kende die, hij bad ze. In deze teksten kunnen wij mee zijn roeping, zijn levensweg en zijn gebed tot de onze maken.
(De tekst van de lezingen is uit NBV21, van de Psalmen uit 150 Liederen ten Léven.)
(Wie deze teksten elders wil gebruiken mag dat vrij doen. Wil echter misschien van de gelegenheid gebruik maken om mee ‘het Goede Nieuws’ te verspreiden en onze dagelijkse commentaren verder kenbaar te maken.)
(Ten laatste maandag staat de hele reeks online.)
Zondag (29/03/2026) – 6de zondag van de Vasten: Palmzondag A
Jes.50,4-7(-9a) (= 3de lied vd lijdende dienaar) + Psalm 22
4 God, de Heer, schoolde mijn tong als die van een leerling,
zodat ik de moedeloze kan opbeuren.
Elke ochtend wekt hij mijn oor,
rust mij toe om als een leerling te luisteren.
5 God, de Heer, heeft mijn oren geopend
en ik heb geen verzet geboden,
ik ben niet teruggedeinsd.
6 Ik heb mijn rug blootgesteld aan mijn folteraars,
wie mij de baard uittrokken, bood ik mijn wangen aan.
Ik heb mijn gezicht niet verborgen
toen ze mij beschimpten en bespuwden.
7 God, de Heer, zal mij helpen,
daarom word ik niet gekwetst
en is mijn gezicht zo onbewogen als een rots,
want ik weet dat ik niet beschaamd zal staan.
8 Hij die mij recht verschaft is nabij.
Wie durft tegen mij een geding aan te spannen?
Laten we samen voor het gerecht verschijnen.
Wie is mijn tegenstander in deze zaak?
Laat hij mij tegemoet treden.
9 God, de Heer, zal mij helpen –
wie zal mij dan veroordelen?
In Gods levensschool, zijn wij allen leerlingen. Een leerling moet leren spreken en leren luisteren. Het staat er in die volgorde, omdat het dóel spreken is: niet te zwijgen over wat moet gezegd worden, mij niet terug te trekken bij wat moet gedaan worden, juist die mensen op te zoeken die stemloos geworden zijn in moedeloosheid.
Maar de ‘leer-volgorde’ is omgekeerd: éérst leren luisteren, anders zullen we nooit leren Góds Woord te spreken.
En dan … niet terugdeinzen voor het Woord dat mij toegesproken wordt …
Kan ik dat? Over dat kunnen valt nogal te twijfelen als we dat uit eigen kracht denken te moeten doen. Het begint wél met een wíllen, een verlangen – vurig verlangen – Gods Woord te mogen zijn.
De ‘lijdende dienaar’, die profetische figuur in het boek Jesaja, van wie we hier ‘het 3de lied’ horen, ging deze weg. Jezus ook, ten einde toe. En ik …?
Bidden we ook:
Psalm 22
2 Mijn God, mijn God,
waarom heb Je mij verlaten?
Waarom blijf Je ver –
ver van mijn schreeuwen om hùlp?
3 “Mijn God,” roep ik overdag
– Je antwoordt niet.
“Mijn God,” roep ik ’s nachts
– ik vind geen stìlte.
5 Maar op Jou vertrouwden onze vaderen;
zij vertrouwden, en Jij hebt hen gered.
6 Tot Jou riepen zij, en zij ontkwamen;
zij vertrouwden, en werden niet beschàamd.
7 Maar ik ben een worm, geen mens,
gesmaad en veracht door de aardeling.
8 Al wie mij ziet spot met mij.
Ze grijnzen en schudden meewarig het hòofd:
9 “Hij leunt toch op de Heer?
Laat die hem dan bevrijden;
laat die hem dan redden,
als Hij hem bemìnt!”
10 Toch – Jij ving mij op bij mijn geboorte
en legde mij veilig op deze aarde.
11 Jou werd ik toegewijd
van de moederschoot àf.
Van mijn oorsprong af, ben Jij mijn God.
12 Hou Je dan niet ver van mij,
want benauwdheid is dichtbij
en een helper ver wèg.
13 Een troep vee dringt om mij heen,
als sterke stieren omsingelen ze mij.
14 Zij sperren hun muil tegen mij open,
als een bloeddorstig brullende lèeuw.
15 Als water ben ik uitgegoten,
mijn beenderen geradbraakt,
mijn ingewanden ingesnoerd,
als was is mijn hart gesmòlten.
16 Mijn kracht is verdroogd als een potscherf,
mijn tong kleeft aan mijn gehemelte.
In het stof van de dood
leg Jij mij al nèer.
17 Een meute honden dringt om mij heen,
kwaaddoeners omsingelen mij.
Mijn handen en mijn voeten
hebben ze doorbòord.
18 Mijn beenderen kan ik tellen
– zij kijken vol leedvermaak toe.
19 Ze verdelen mijn kleren onder elkaar;
ze dobbelen om mijn gewàad.
20 Maar Jij, mijn God, wees Jij nabij;
mijn Kracht, haast Je mij te helpen!
21 Red van de dood mijn leven,
mijn wezen uit de klauw van die hònden.
22 Verlos mij uit de muil van de leeuw;
tegen de horens van die stieren,
bescherm mij.
Jij geeft mij àntwoord!
23 Ik zal van Jou vertellen in mijn kring,
te midden van het volk zal ik Jou prijzen.
24 Dienaars van de Heer, prijs Hem!
Heb ontzag voor Hem, heel Gods vòlk!
25 Neen, Hij breekt het zwakke niet,
verwerpt de smart van de verdrukte niet;
zijn Gelaat verbergt Hij niet.
Wie Hem roept, hòort Hij!
26 Tot Jou mijn lof, te midden het volk;
aan Jou mijn gelofte bij je dienaars:
27 De nederigen mogen maaltijd houden.
Je leve eeuwig! – jullie die Hem zòeken.
28 Dan zullen alle uiteinden van de aarde
Jou gedenken en zich tot Jou keren;
alle volken zich voor Jou buigen,
29 want koning ben Jìj!
30 Wie niemand dacht nodig te hebben,
zal dankend aanzitten aan jouw Maaltijd,
en danken zal ook
wiens leven neerlag in het stòf.
31 De kinderen zullen Jou dienen
en het vertellen aan hun kinderen:
32 “God is gerechtig;
= dit heeft Hij gedàan!”

