inleiding op de reeks ‘evangelie’-commentaren van de Goede Week
Gewoonlijk geven wij hier een kort commentaar op het Evangelie van de dag. Maar in de Goede Week is het ‘verhaal’ genoegzaam bekend. Jezus gaat consequent de weg van zijn leven, die inbegrijpen zijn dood en verrijzenis. Ze zijn de vervulling van hoe hij zelf heeft geleefd, maar ook de vervulling van wat hij in ‘de Schriften’ (wat wij ‘het Oude Testament’ noemen) las. Daarom volgen we dit jaar van Palmzondag t.e.m. Paas-maandag niet rechtstreeks de Evangelies, maar de eerste lezingen van die dagen.
Veel ‘uitleg’ hoeven ze meestal ook niet. Het belangrijkste is ze te overwegen: lees en herlees, zie en verwonder je, peil naar de diepte van het Godsgebeuren in de mens.
We geven telkens ook de bijhorende Psalm mee. Jezus kende die, hij bad ze. In deze teksten kunnen wij mee zijn roeping, zijn levensweg en zijn gebed tot de onze maken.
(De tekst van de lezingen is uit NBV21, van de Psalmen uit 150 Liederen ten Léven.)
(Wie deze teksten elders wil gebruiken mag dat vrij doen. Wil echter misschien van de gelegenheid gebruik maken om mee ‘het Goede Nieuws’ te verspreiden en onze dagelijkse commentaren verder kenbaar te maken.)
De hele reeks online vind je hier terug
Zaterdag (4/04/2026) – Stille Zaterdag
En toen werd alles stil …
Niets meer.
Niets meer?
Misschien wel het grootste dat ooit kon gebeuren! God die zelf het lot van de mens deelde en afdaalde tot in de dood. En God zou God niet zijn als hij het daarbij zou laten. Hij brak de banden van alle dood. Nooit zou die nog het laatste woord hebben!
Een Mysterie van Léven om stil bij te staan, om stil bij te worden …
Zo stil, dat we de dode naast ons nabij kunnen zijn; niet weglopen van zijn stilte, maar ook daar durven zijn – in navolging van Jezus.
En verder: wachten. – in hoop en vertrouwen op het Mysterie …
Mijn stilte wordt lof …
Psalm 65
Mijn rechtvaardige dienstknecht zal velen rechtvaardig maken
door hun zonden te dragen.
2 Mijn stilte is mijn lòf voor Jou,
God die in óns je wòonplaats hebt;
mijn gelofte zal ik vervullen voor Jòu,
3 Jij die alle gebeden hóort.
Tot Jou mag komen elke beperkte mèns,
4 met ál wat ik misdèed;
mijn overtredingen zijn sterker dan mezèlf,
maar Jij zult mij weer héel maken.
5 Gezegend wie Jij nodigt te nàderen
en mag wónen in jouw vòorhof;
zij zullen verzàdigd worden
met het goede van jouw húis.
6 Ontzagwekkend geef Jij àntwoord,
Gód die mijn verlòssing bent,
hoop van de gehele wèreld,
zelfs van de kusten ver over zée.
7 Jij grondvestte de bergen door jouw kràcht,
omgórd met màcht;
8 Jij stilde het geraas van zeeën en gòlven,
het tumult van de vólken.
9 De bewoners van de àarde
staan vol ontzág voor jouw tèkenen;
Jij doet hen jùbelen,
van de ochtend tot de ávond.
10 Jij ziet om naar het land en bevlòeit het,
Jij maakt het overvlóedig vrùchtbaar;
jouw stroom gaat door de àkkers,
zo bereid Jij ze voor de óogst.
11 Je doordrenkt de voren, effent de klùiten,
doorweekt ze met regen en zégent het zàad.
12 Jij kroont heel het jaar met jouw gòedheid,
in jouw voetspoor is vrúchtbaarheid.
13 Velden en heuvels vloeien òver:
14 de weiden kléden zich met vèe,
de dalen tooien zich met gràan.
= Ja, zij roepen en zingen van vréugde!

