inleiding op de reeks ‘evangelie’-commentaren van de Goede Week

Gewoonlijk geven wij hier een kort commentaar op het Evangelie van de dag. Maar in de Goede Week is het ‘verhaal’ genoegzaam bekend. Jezus gaat consequent de weg van zijn leven, die inbegrijpen zijn dood en verrijzenis. Ze zijn de vervulling van hoe hij zelf heeft geleefd, maar ook de vervulling van wat hij in ‘de Schriften’ (wat wij ‘het Oude Testament’ noemen) las. Daarom volgen we dit jaar van Palmzondag t.e.m. Paas-maandag niet rechtstreeks de Evangelies, maar de eerste lezingen van die dagen.
Veel ‘uitleg’ hoeven ze meestal ook niet. Het belangrijkste is ze te overwegen: lees en herlees, zie en verwonder je, peil naar de diepte van het Godsgebeuren in de mens.
We geven telkens ook de bijhorende Psalm mee. Jezus kende die, hij bad ze. In deze teksten kunnen wij mee zijn roeping, zijn levensweg en zijn gebed tot de onze maken.
(De tekst van de lezingen is uit NBV21, van de Psalmen uit 150 Liederen ten Léven.)
(Wie deze teksten elders wil gebruiken mag dat vrij doen. Wil echter misschien van de gelegenheid gebruik maken om mee ‘het Goede Nieuws’ te verspreiden en onze dagelijkse commentaren verder kenbaar te maken.)
De hele reeks online vind je hier terug

Vrijdag (3/04/2026) – Goede Vrijdag
Jes.52,13 – 53,12 (= 4de lied vd lijdende dienaar) + Psalm 31

13     Ja, mijn dienaar zal slagen,
       hij zal groots zijn en hoogverheven.
14     Zoals hij velen deed huiveren
       – zo mismaakt was hij, zo weinig menselijk zijn aanblik,
       zijn uiterlijk had niets meer van een mens –,
15     zo zal hij veel volken opschrikken,
       en koningen zullen sprakeloos staan.
       En zij aan wie niets was verteld, zullen zien,
       zij die niets hadden gehoord, zullen begrijpen.
     Wie kan geloven wat wij hebben gehoord?
       Aan wie is de macht van de HEER geopenbaard?
     Als een loot schoot hij op onder Gods ogen,
       als een scheut uit dorre grond.
       Onopvallend was zijn uiterlijk,
       hij miste iedere schoonheid,
       zijn aanblik kon ons niet bekoren.
     Hij werd veracht, door mensen gemeden,
       hij was een man die het lijden kende
       en met ziekte vertrouwd was,
       een man die zijn gelaat voor ons verborg
       en door ons werd verguisd en geminacht.
     Maar hij was het die onze ziekten droeg,
       die ons lijden op zich nam.
       Wij echter zagen hem als een verstoteling,
       door God geslagen en vernederd.
     Om onze zonden werd hij doorboord,
       om onze wandaden gebroken.
       De straf die hij onderging bracht ons vrede,
       zijn striemen gaven ons genezing.
     Wij dwaalden rond als schapen,
       ieder zocht zijn eigen weg;
       maar de wandaden van ons allen
       liet de HEER op hem neerkomen.
     Hij werd mishandeld, maar verzette zich niet
       en deed zijn mond niet open.
       Als een schaap dat naar de slacht wordt geleid,
       als een ooi die stil is bij haar scheerders
       deed hij zijn mond niet open.
     Door een onrechtvaardig vonnis werd hij weggenomen.
       Wie van zijn tijdgenoten heeft er oog voor gehad?
       Hij werd verbannen uit het land der levenden,
       om de zonden van mijn volk werd hij geslagen.
9      Hij kreeg een graf bij misdadigers,
       zijn laatste rustplaats was bij de rijken;
       toch had hij nooit enig onrecht begaan,
       nooit bedrieglijke taal gesproken.
10    Maar de HEER wilde hem breken, Hij maakte hem ziek.
       Hij offerde zijn leven voor de schuld van anderen,
       om zijn nageslacht te zien en lang te leven.
       En door zijn toedoen slaagde wat de HEER wilde.
11    Na het lijden dat hij moest doorstaan,
       zag hij het licht en werd met kennis verzadigd.
       Mijn rechtvaardige dienaar verschaft velen recht,
       hij neemt hun wandaden op zich.
12    Daarom ken Ik hem een plaats toe onder velen
       en zal hij met machtigen delen in de buit,
       omdat hij zijn leven prijsgaf aan de dood
       en zich tot de zondaars liet rekenen.
       Hij droeg echter de schuld van velen
       en nam het voor zondaars op.

“Geen groter liefde kan iemand hebben dan deze, dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden.” (Joh 15, 13) Jezus levert het bewijs dat hij ons als zijn vrienden beschouwt, ook al zijn wij dat verre van waardig. Nee, aan onze verdienste zal het niet liggen. Wél aan Gods eindeloze liefdeskracht.
Hij neemt onze zonde op zich. Hij draagt onze ziekten. Onze wandaden komen op hem neer. … Kan het nog verder gaan?
Jezus hoopt dat het verder gaat … in ons …, dat wij dat ‘lied van de lijdende dienaar’ willen blijven zingen – tegen alle beter weten in, en vooral: tegen alle gangbare maatschappelijke tendensen in.
Als wij straks voor het kruis zitten, brengen wij hem dan onze hulde: met een bloem, een kus, een liefdevol en dankbaar hart, maar bovenal met barmhartigheid, daden van tederheid.

Bidden we ook:

Psalm 31

Bij de Heer mag ik schuilen; een stevig huis, mij tot toevlucht.

2     Bij Jou, mijn God, mag ik schùilen;
       bij Jou verbleek ik nóoit.
       In jòuw gerèchtigheid
       bevrìjd Jij mìj.

3     Neig je òor naar mij.
       Haast Je mij te hélpen.
       Wees voor mij een stèrke rots;
       een stevig huis, mìj tot tòevlucht.

4     Want altijd ben Jij mijn vesting op ròtsgrond;
       leiding, richting en sterkte – jouw Náam.
5     Jij lost het verborgen net ròndom mìj.
6     In jouw hand lèg ik mijn lèven.

7     Amen. Ik geef me òver!
8     Diep is mijn vréugde.
9     Jij die mijn kleinheid kent, mìjn zùchten,
       Jij geeft ruimte àan mijn wègen.

10   Nu voel ik mij nog benauwd – wees mij genàdig.
       Mijn oog teert weg; verdriet in keel en búik.
11   Mijn leven kwijnt in zorgen, mijn jàren in zùchten.
       Mijn kracht begeeft het – moe in mèrg en bèen.

12   Voor mijn belagers ben ik tot smàad,
       voor mijn vrienden tot verschrikking gewórden.
       Wie mij ziet vlùcht van mij wèg.
13   Liever ontlopen ze mij àls een dòde.

14   Ja, de laster sluipt om mij hèen.
       Ze fluisteren samen – angst over míj.
       Ze smeden plannen tègen mìj
       om mij het leven tè benèmen.

15   Maar ik, ik vertrouw op Jòu, God;
       ik zeg: “Jij bent mijn Gód.
16   Mijn tijden liggen ìn jouw hànd;
       uit de hand van mijn belagers bevrìjd Jij mìj.”

17   Laat schijnen jouw licht, want Jij hebt mij lìef.
18   Laat mij niet verbleken, want ik róep Je.
19   Doodsbleek zal worden wìe Jou weerstàat
       en leugenachtig spreekt over wìe intèger is.

20   Hoe goed wat Jij bewaart voor wie Jou àcht.
       Voor wie het wil zien, voorzíe Jij het.
21   Jij herbergt hen in jouw vèilig lìcht,
       beschermt hen tegen lìsten en làster.

22   Gezegend ben Jij, Heer – wonder van Genàde!
       Ik ben veilig als een vésting.
23   Overhaast dacht ik: “Afgesneden bèn ik van Jòu.”
       Maar Jij hebt mijn roepen om hùlp gehòord.

24   Heb Hem lief!, alle Godgetròuwen.
       Hij zegene en bewáre je.
25   Je hart weze stèrk en mòedig,
=     jullie allen die hòpen op de Hèer.

Het onderweghuis

logo
  Het Onderweghuis
  Grote Baan 121
  2235 Hulshout
  BE47 9796 4400 0280