inleiding op de reeks ‘evangelie’-commentaren van de Goede Week
Gewoonlijk geven wij hier een kort commentaar op het Evangelie van de dag. Maar in de Goede Week is het ‘verhaal’ genoegzaam bekend. Jezus gaat consequent de weg van zijn leven, die inbegrijpen zijn dood en verrijzenis. Ze zijn de vervulling van hoe hij zelf heeft geleefd, maar ook de vervulling van wat hij in ‘de Schriften’ (wat wij ‘het Oude Testament’ noemen) las. Daarom volgen we dit jaar van Palmzondag t.e.m. Paas-maandag niet rechtstreeks de Evangelies, maar de eerste lezingen van die dagen.
Veel ‘uitleg’ hoeven ze meestal ook niet. Het belangrijkste is ze te overwegen: lees en herlees, zie en verwonder je, peil naar de diepte van het Godsgebeuren in de mens.
We geven telkens ook de bijhorende Psalm mee. Jezus kende die, hij bad ze. In deze teksten kunnen wij mee zijn roeping, zijn levensweg en zijn gebed tot de onze maken.
(De tekst van de lezingen is uit NBV21, van de Psalmen uit 150 Liederen ten Léven.)
(Wie deze teksten elders wil gebruiken mag dat vrij doen. Wil echter misschien van de gelegenheid gebruik maken om mee ‘het Goede Nieuws’ te verspreiden en onze dagelijkse commentaren verder kenbaar te maken.)
De hele reeks online vind je hier terug
Donderdag (2/04/2026) – Witte Donderdag
Exodus 12,1-8.11-14 + Psalm 116
1 De HEER zei tegen Mozes en Aäron, nog in Egypte: 2 ‘Voortaan moet deze maand bij jullie de eerste maand van het jaar zijn. 3 Zeg tegen de hele gemeenschap van Israël: “Op de tiende van deze maand moet elke familie een lam of een bokje uitkiezen, elk gezin één. 4 Gezinnen die te klein zijn om een heel dier te eten, nemen er samen met hun naaste buren een, rekening houdend met het aantal personen en met wat ieder nodig heeft. 5 Het mag het jong van een schaap zijn of het jong van een geit, als het maar een mannelijk dier van één jaar oud is zonder enig gebrek. 6 Houd dat apart tot de veertiende van deze maand; die dag moet de voltallige gemeenschap van Israël de dieren in de avondschemer slachten. 7 Het bloed moeten jullie bij elk huis waarin een dier gegeten wordt, aan de beide deurposten en aan de bovendorpel strijken. 8 Rooster het vlees en eet het nog diezelfde nacht, met ongedesemd brood en bittere kruiden.
11 Zo moeten jullie het eten: met je gordel om, je sandalen aan en je staf in de hand, in grote haast. Dit is een maaltijd ter ere van de HEER, het Pesachmaal. 12 Ik zal die nacht rondgaan door Egypte, en Ik zal daar alle eerstgeborenen doden, zowel van de mensen als van het vee, en Ik zal alle Egyptische goden een afstraffing geven, want Ik ben de HEER. 13 Maar jullie zal Ik voorbijgaan: aan het bloed zal Ik jullie huizen herkennen, en door dat merkteken zal de dodelijke plaag waarmee Ik Egypte straf, jullie niet treffen.
14 Die dag moet voortaan een gedenkdag zijn, die je moet vieren als een feest ter ere van de HEER. Dit voorschrift blijft voor altijd van kracht, alle komende generaties moeten die dag vieren.
Dit is het begin van iets ongehoord nieuws! Mensen hebben het nog nooit gehoord – God heeft het schreien van zijn volk gehoord! (Ex.3,7)
Het nieuwe ontstaat uit niet-leven!
Dat is zo ‘in het begin’ (= in beginsel, als principe). Dat is voor het Godsvolk zo. En Jezus neemt deze levensdraad op en diept ze ‘eindeloos’ ver uit: zelfs uit niet-leven ontstaat nieuw leven!
Jezus toont hoe dit kan. Door zijn dood en verrijzenis? Ook. Door het brood en de wijn? Ook. Maar ‘kleiner’ – en daardoor grootser – én concreter werkzaam doet hij dat door dienend te knielen voor die vriend die hem straks zal verraden en net die de voeten te wassen …
Bidden we ook:
Psalm 116
Ik zoek te vergoeden alle Genade die de Heer mij geeft.
1 Ik heb Jou líef, mijn Gód!
Jij hoort mijn smékende stèm.
2 Je neigt je òor naar mij;
ik roep Jou aan, elke dág.
3 Ik verstrík en verstík
in angst en pijn – dóodsbenàuwd.
4 Maar ik roep jouw Nàam:
“Ach, God, red mijn léven!”
5 Genádig ben Jij en rechtváardig,
onze God vól erbàrmen.
6 Je beschermt de eenvòudigen:
ik was diep gezonken – Jij rédt mij.
7 Keer dan terug, mijn ziel, náar zijn rúst
– ja, Hij héeft je herstèld.
8 Je ogen heeft Hij behoed voor trànen,
je voeten voor het strúikelen.
Ja, Jij rédt mijn léven!
9 Nú mag ik wàndelen
weer voor jouw Gelàat
in het land van de lévenden.
10 Ik vertrouw, dáarom spréek ik,
ook al ben ik érg ternèer gedrukt.
11 In mijn verwarring, dàcht ik:
“Geen mens is te vertróuwen.”
12 Hoe kan ik óoit Jou vergóeden
alle Genáde die Jij mij gèeft?
13 De heilsbeker zal ik heffen in jouw Nàam,
14 vervullen mijn geloften voor jouw vólk.
15 Kostbaar ís in jouw ógen
het stérven van jou tòegewijden.
16 Ach, God, ik ben jouw dìenaar:
Jij lost al waar ik vást aan zit.
17 Jou zal ik bréngen mijn dánk,
aanróepen jouw Nàam,
19 en staande in jouw hùis
18 = vervullen mijn geloften voor jouw ménsen.

