inleiding op de reeks ‘evangelie’-commentaren van de Goede Week

Gewoonlijk geven wij hier een kort commentaar op het Evangelie van de dag. Maar in de Goede Week is het ‘verhaal’ genoegzaam bekend. Jezus gaat consequent de weg van zijn leven, die inbegrijpen zijn dood en verrijzenis. Ze zijn de vervulling van hoe hij zelf heeft geleefd, maar ook de vervulling van wat hij in ‘de Schriften’ (wat wij ‘het Oude Testament’ noemen) las. Daarom volgen we dit jaar van Palmzondag t.e.m. Paas-maandag niet rechtstreeks de Evangelies, maar de eerste lezingen van die dagen.
Veel ‘uitleg’ hoeven ze meestal ook niet. Het belangrijkste is ze te overwegen: lees en herlees, zie en verwonder je, peil naar de diepte van het Godsgebeuren in de mens.
We geven telkens ook de bijhorende Psalm mee. Jezus kende die, hij bad ze. In deze teksten kunnen wij mee zijn roeping, zijn levensweg en zijn gebed tot de onze maken.
(De tekst van de lezingen is uit NBV21, van de Psalmen uit 150 Liederen ten Léven.)
(Wie deze teksten elders wil gebruiken mag dat vrij doen. Wil echter misschien van de gelegenheid gebruik maken om mee ‘het Goede Nieuws’ te verspreiden en onze dagelijkse commentaren verder kenbaar te maken.)
De hele reeks online vind je hier terug

Woensdag (01/04/2026)
Jes.50,4-9a (= 3de lied vd lijdende dienaar) + Psalm 69

4     God, de Heer, schoolde mijn tong als die van een leerling,
       zodat ik de moedeloze kan opbeuren.
       Elke ochtend wekt hij mijn oor,
       rust mij toe om als een leerling te luisteren.
5     God, de Heer, heeft mijn oren geopend
       en ik heb geen verzet geboden,
       ik ben niet teruggedeinsd.
6     Ik heb mijn rug blootgesteld aan mijn folteraars,
       wie mij de baard uittrokken, bood ik mijn wangen aan.
       Ik heb mijn gezicht niet verborgen
       toen ze mij beschimpten en bespuwden.
7     God, de Heer, zal mij helpen,
       daarom word ik niet gekwetst
       en is mijn gezicht zo onbewogen als een rots,
       want ik weet dat ik niet beschaamd zal staan.
8     Hij die mij recht verschaft is nabij.
       Wie durft tegen mij een geding aan te spannen?
       Laten we samen voor het gerecht verschijnen.
       Wie is mijn tegenstander in deze zaak?
       Laat hij mij tegemoet treden.
9     God, de Heer, zal mij helpen –
       wie zal mij dan veroordelen?

(Dit is hetzelfde lied als op Palmzondag, en hetzelfde commentaar. Kan een lied twee maal hetzelfde klinken? Misschien lezen we het nu in een groeiend licht, en werpt de andere Psalm daar zijn eigen licht op?)
In Gods levensschool, zijn wij allen leerlingen. Een leerling moet leren spreken en leren luisteren. Het staat er in die volgorde, omdat het dóel spreken is: niet te zwijgen over wat moet gezegd worden, mij niet terug te trekken bij wat moet gedaan worden, juist die mensen op te zoeken die stemloos geworden zijn in moedeloosheid.
Maar de ‘leer-volgorde’ is omgekeerd: éérst leren luisteren, anders zullen we nooit leren Góds Woord te spreken.
En dan … niet terugdeinzen voor het Woord dat mij toegesproken wordt …
Kan ik dat? Over dat kunnen valt nogal te twijfelen als we dat uit eigen kracht denken te moeten doen. Het begint wél met een wíllen, een verlangen – vurig verlangen – Gods Woord te mogen zijn.
De ‘lijdende dienaar’, die profetische figuur in het boek Jesaja, van wie we hier ‘het 3de lied’ horen, ging deze weg. Jezus ook, ten einde toe. En ik …?

Bidden we ook:

Psalm 69

Zij deden gif in mijn eten; zij lesten mijn dorst met azijn.

2     Red mij, Gód!
       Het water staat mij tot de líppen.
3     Ik zink weg in modderige dìepten;
       ik vind geen grònd onder mijn voeten.

       Ik ben in kolkende wáteren geraakt
       en de vloed overspóelt mij.
4     Van roepen uitgeput en bràndend mijn keel;
       mijn ogen bezwijken van ùitzien naar Jou.

5     Talrijker dan háren op mijn hoofd,
       zij die mij háten zonder reden;
       machtig mijn verwòesters,
       die zonder grond mijn vìjanden zijn.

       Moet ik dan terúggeven
       wat ik nooit heb geróofd?
6     Maar Jij, mijn God, Jij kent mijn dwàasheid;
       mijn ware schuld is Jòu bekend.

7     Laat dan door mij niet bescháamd worden
       wie uitzien naar Jou, God van de máchten;
       laat door mij niet te schànde staan
       wie zoeken naar Jou, God van bevrìjding.

8     Want om Jou komt smaad en schánde over mij:
9     een vreemdeling ben ik voor mijn verwánten.
10   De ijver voor jouw huis heeft mij vertèerd;
       de smaad van wie Jou smaadt valt op mìj neer.

11   Ik treurde en vastte – zij mínachtten mij;
12   ik trok een boetekleed aan – zij lachten er mij om úit.
13   Op straat wordt over mij geròddeld
       en drinkers zingen een spòtlied op mij.

14   Maar ik, ik bid tot Jóu, mijn God
       – tijd van jouw Genáde.
       God, in jouw grote gòedheid:
       antwoord mij door jouw trouwe rèdding.

15   Jij trekt mij uit de modder voor ik wégzink;
       Jij redt mij van wie mij háten,
       en de kolkende wàteren
16   laat Je nìet mij overspoelen.

       De diepten laat Je níet mij opslokken,
       de put haar mond níet boven mij sluiten.
17   Jij antwoordt mij. Hoe gòed jouw Genade!
       In jouw grote ontferming wènd Je Je naar mij.

18   Verberg je Gelaat níet voor mij.
       Ik ben benauwd. Háast Je! Antwoord mij!
19   Kom mijn wezen nabij. Rèd mij.
       Omwille van mijn vijanden: verlòs mij!

20   Jij, Jij kent mijn smaad en mijn schánde.
       Mijn verdrukkers vernederen mij om Jóu.
21   Mijn hart is van verachting verzwàkt.
       Ik hoopte op medeleven – niets; op troost – nìets.

22   Ze deden gíf in mijn eten
       en lesten mijn dorst met azíjn.
30   Maar ik, ellendig in pìjn,
       ben veilig door jouw beschèrming.

31   Daarom prijs ik jouw Naam met een líed;
       in dank bejubel ik jouw gróotheid!
33   Ik buig mij neer en zie in vrèugde;
       mijn hart zoekt Jou en herlèeft!

34   Want Jij hoort wie hun nood roepen tot Jóu;
       Je vindt niet te min wie vást zit in kluisters.
35   Laat hemel en aarde Jou dan lòven,
       de zeeën en al wat popelt en lèeft!

36   Want Jij bouwt een stad en een wóning;
       wij zullen haar érven.
37   Wie dient en mint jouw Nàam
=     zullen er blijvend wònen.

Het onderweghuis

logo
  Het Onderweghuis
  Grote Baan 121
  2235 Hulshout
  BE47 9796 4400 0280