Joh.1,19-28 (2/01/2026)
1 9 En dit is het getuigenis van Johannes,
toen de Joden uit Jeruzalem
enige priesters en Levieten [tempeldienaars] afvaardigden
om hem te vragen: Wie ben jij?
20 Hij verklaarde met klem:
“Ik ben de gezalfde niet!”
21 Ze vroegen hem: “Maar wie ben je dan?
ben je Elia?” – Hij zei: “Ik ben niet Elia.”
“Ben je de profeet?” – Hij zei: “Nee.”
22 “Maar wie ben je dan?
dat wij een antwoord kunnen geven
aan wie ons gezonden hebben.
Wat zeg je over jezelf?”
23 “Ik, ik ben de stem
van iemand die roept in de woestijn:
Richt de weg van de Heer! [Jes.10,3],
zoals de profeet Jesaja heeft gezegd.
24 Ook waren er afgezanten van de farizeeën.
25 Zij vroegen hem:
“Waarom doop je dan,
als je niet de gezalfde bent,
noch Elia, noch de profeet?”
26 Johannes antwoordde:
“Ik doop in water.
Midden onder jullie staat hij
van wie jullie geen weet hebben,
27 de na mij komende
die vóór mij is geworden,
van wie ik niet waard ben
zelfs maar de riem van zijn schoen los te maken.”
28 Dit alles gebeurde in Betanië over de Jordaan,
waar Johannes doopte.
In de woestijn wordt Johannes tot louter stem. Stilte, leegte en eenvoud hebben hem zo gevormd dat hij zich niets meer hoeft toe te eigenen. Die stem reikt tot in Jeruzalem, het centrum van de religieuze macht, en maakt onrust los. Wie is deze man? Wat is zijn gezag? Men vraagt naar zijn identiteit, zijn bevoegdheid. En driemaal klinkt zijn antwoord: “Ik ben niet.”
De woestijn heeft hem uitgezuiverd. Hij is geworden tot iemand die ruimte maakt voor de Ander. Niet ik, maar hij. Niet ik, maar jij. Dat verlangen groeit waar stilte wordt toegelaten, waar leegte geen tekort is maar openheid. Zijn wij leeg genoeg om die stem te horen, en ook die van de ander?
Johannes gaat ons voor: “Niet ik, maar hij die na mij komt.” Ook Jezus zal zo leven — verwijzend. Niet ik, maar Jij, G-d. Niet ik, maar jij, mens, naar wie ik omzie, omdat je verlangt gezien en gekend te worden.
Zouden ook wij zo kunnen leven? Verwijzend, open en ruimte makend voor de A/ander?

