Joh.5,17-30 (18/03/2026)

17     Jezus zei tegen de Joden:
       “Mijn Vader werkt tot nu toe, en ik werk ook!”
18     Hierom zochten ze des te meer om hem te doden,
       omdat hij niet alleen de sabbat losmaakte,
       maar ook God zijn eigen vader noemde,
       waarmee hij zichzelf aan God gelijk maakte.
19     Jezus antwoordde hun:
       Amen, amen, ik zeg jullie:
       De Zoon kan niets uit zichzelf
       tenzij hij het de Vader ziet doen,
       want wat de Vader doet, doet de Zoon evenzo.
20     En de Vader heeft de Zoon lief,
       daarom toont hij hem alles wat hij zelf doet.
       En hij zal hem nog grotere dingen laten doen dan deze.
       Je zult je nog verwonderen!
21     Zoals de Vader de doden opwekt en levend maakt,
       zo maakt ook de Zoon levend wie hij bedoelt.
22     De Vader zelf oordeelt niemand,
       maar het gehele oordeel heeft hij in handen gegeven van de Zoon
23     opdat allen de Zoon zouden eren zoals ze de Vader eren.
       Wie de Zoon niet eert,
       eert ook de Vader niet die hem gezonden heeft.
24     Amen, amen, ik zeg jullie:
       Wie mijn woord hoort
       en vertrouwen stelt in wie mij gezonden heeft,
       heeft het volle leven.
       Hij komt niet in het oordeel,
       maar is al overgegaan uit de dood in het leven.
25     Amen, amen, ik zeg jullie:
       Er komt een uur – ja, het is er al –
       dat de doden de stem van de Zoon van God zullen horen,
       en die luisteren, zullen leven.
26     Zoals de Vader leven heeft in zichzelf,
       zo heeft hij het ook aan de Zoon gegeven
       leven te hebben in zichzelf,
27     en hij heeft hem de volmacht gegeven te oordelen,
       omdat hij mensenzoon is.
28     Verwonder je er dus niet over
       dat er een uur komt waarin de mensen in de graven zijn stem zullen horen
29     en er uit zullen trekken,
       wie het goede gedaan heeft voor opstanding tot leven,
       maar wie het kwade gedaan heeft voor opstanding tot oordeel.
30   Ik kan niets uit mezelf. Ik oordeel naar wat ik hoor.
       En mijn oordeel is rechtvaardig, omdat ik niet míjn wil zoek,
       maar de wil van de Vader die mij gezonden heeft.”

Dit is een typisch ‘johaneïsche’ tekst. De evangelist Johannes schrijft zo ongeveer in het jaar 100. Het ‘levende mysterie’ van Jezus de Christus gaat al zo’n 3 generaties van mond tot mond, van hart tot hart, én ‘van verstand tot verstand’. Men denkt na over wat dat diepe mysterie toch kan betekenen, en men doet dat in de steeds ontwikkelende tijden van de geschiedenis.
In Johannes’ tijd was er al een redelijke kloof gegroeid tussen Joden en Christenen. In Jezus’ tijd zelf echter was die kloof er níet. Integendeel! Jezus was door en door Joods. Hij was erin opgegroeid, had er zijn geloof in gevonden, en op vele plaatsen zegt hij dat hij niet is gekomen om dat op te heffen, wel om het tot vervulling te brengen.
Hier lezen we iets – in Johannes’ stijl – over die ‘vervulling’: Niets van wat Jezus hier zegt is ‘nieuw’; wel gaat hij ermee om met een verbluffende vrijmoedigheid. Dat G-d ‘onze vader’ kan genoemd worden, daar was iedereen het mee eens. De ‘logische vervulling’ is dat je ook kunt zeggen dat hij ‘míjn vader’ is – maar dat valt lastiger: voel het maar even aan jezelf!
Christenen uit het jaar 100 hadden ontdekt dat je vrijmoedig met G-d mag omgaan. Heb ík dat al ontdekt?

Het onderweghuis

logo
  Het Onderweghuis
  Grote Baan 121
  2235 Hulshout
  BE47 9796 4400 0280