Joh.21,1-14 (10/04/2026)
1 Na dit alles toonde Jezus zichzelf opnieuw aan de leerlingen
bij het meer van Tiberias. [= het meer van Galilea]
Dit verliep als volgt:
2 Simon Petrus, Tomas de tweeling,
Natanaël van Kana in Galilea, de zonen van Zebedeüs
en twee andere van zijn leerlingen waren er bijeen.
3 Simon Petrus zei: “Ik ga vissen.”
En zij antwoordden: “Dan gaan wij met je mee.”
Ze klommen in de boot, maar die nacht vingen ze niets.
4 Toen het al ochtend begon te worden,
stond Jezus aan de oever.
De leerlingen wisten echter niet dat het Jezus was.
5 Jezus zei hen: “Jongens, hebben jullie iets voor bij het eten?”
Ze antwoordden hem: “Nee …!”
6 Nu zei hij hen: “Werp het net uit naar de rechterkant van de boot en je zult wat vinden.”
Ze deden dat, maar konden het net niet meer optrekken
door de grote hoeveelheid vissen.
7 De leerling, die Jezus erg genegen was, zei tegen Petrus:
“Het is de Heer!”
Toen Simon Petrus dit hoorde, trok hij zijn bovenkleed weer aan en sprong in het water.
8 De andere leerlingen kwamen met het bootje.
Ze waren niet ver van het land, ongeveer tweehonderd el [= ca. 100m]
en sleepten het net met de vissen mee.
9 Toen ze aan land stapten, zagen ze een houtskoolvuur
met vis erop en brood.
10 Nu zei Jezus:
“Breng wat van de vissen die je nu gevangen hebt.”
11 Simon Petrus klom in de boot en trok het net op het land.
Het zat vol grote vissen: honderddrieënvijftig,
en ondanks de grote hoeveelheid scheurde het net niet.
12 Jezus zei hen: “Kom eten.”
Niemand van de leerlingen durfde hem te vragen ‘wie ben jij’,
terwijl ze wel wisten dat het de Heer was.
13 Maar Jezus nam het brood en gaf het hun. Zo ook met de vis.
14 Dit was de derde keer dat Jezus zich aan de leerlingen toonde
sinds hij was opgestaan uit de dood.
Na wat zo pijnlijk misgelopen was, doen enkele van de leerlingen wat hen vertrouwd was. Ze keren terug naar het bekende; ze zoeken houvast in het oude. Ze blijven dicht bij elkaar om niet te verliezen wat hen nog verbindt. En toch stokt er iets. Zijn ze het verleerd, dat vissen? Is het gewoon een slechte dag, of ontbreekt het hen aan moed, aan richting, na alles wat er gebeurd is?
Dan klinkt een stem van buitenaf: een vreemde die hen zegt wat te doen. Geloven ze hem echt, of handelen ze uit wanhoop, omdat niets nog lijkt te lukken?
Het is opvallend hoe inzicht soms niet van binnenuit komt, maar via een ander. Zelfs Petrus ontdekt geloof langs een omweg, door het woord van een ander, de leerling die Jezus erg genegen was.
En Jezus? Hij verschijnt als een gast die om eten vraagt, bijna onopvallend, kwetsbaar. Het is de derde keer, en nog steeds herkennen ze hem nauwelijks. Misschien zegt dat iets wezenlijks: verrijzenis dringt zich niet op, ze ontluikt langzaam, in kleine verschuivingen van vertrouwen, tot iemand het ziet en de anderen meeneemt in dat nieuwe zien.

