Joh.3,31-36 (16/04/2026)
31 “Wie van boven komt, is boven allen.
Wie uit de aarde is, is uit de aarde en spreekt uit de aarde.
Wie uit de hemel komt, is boven allen.
32 Wat hij gezien en gehoord heeft,
daar getuigt hij van.
Maar niemand neemt zijn getuigenis aan.
33 Wie zijn getuigenis wél aanneemt,
bezegelt daarmee dat God waarachtig ís.
34 Want wie God gezonden heeft,
spreekt de woorden van God,
want God geeft de geest-adem [pneuma/ruach] zonder maat.
35 De Vader heeft de Zoon lief
en heeft hem alles in handen gegeven.
36 Wie zijn vertrouwen stelt in de Zoon,
heeft het volle leven,
maar wie geen gehoor heeft aan de Zoon,
zal het leven niet zien
– maar Gods genegenheid blijft op hem.”
Van diepzinnig doorwrochte teksten gesproken …
Maar ik blijf even stilstaan bij een detail. ’t Is te zeggen: inhoudelijk lijkt het mij geen detail, maar het staat er letterlijk als ogenschijnlijk ‘maar’ een toevoegingetje.
Aan het eind gaat het hier weer over dat vertrouwen in de Zoon en dat dat het volle leven zal brengen. Tot slot staat er ook nog het omgekeerde: “Wie géén gehoor geeft aan de Zoon, zal het leven niet zien.” Maar dan staat er nog een achteloos bijzinnetje: “Maar G-ds genegenheid blijft op hem.”
Denk dat even door. Hoe grandioos!!! G-ds liefde strekt zich ook uit over mensen die geen gehoor geven aan zijn Zoon! Hij hoopt en verlangt natuurlijk wel dat ze dat wél zouden doen, omdat ze hem dan beter zouden leren kennen, maar het weerhoudt hem niet van hen daad-werkelijk lief te hebben.
Wij die wel luisteren naar het Woord, moeten dus ook dít woord in acht nemen en daad-werkelijk maken: als wij zeggen in het spoor van de goddelijke Liefde te willen leven, dienen wij ook díegenen lief te hebben die dat niet doen …

