Joh.14,15-21 (10/05/2026)
15 Als je mij daad-werkelijk liefhebt,
maak (je) mijn wijzingen waar
16 en ik zal de Vader vragen
jullie een andere medestander te geven
die voor altijd bij jullie blijft:
17 de Geest van de waarheid.
De wereld kan hem niet ontvangen
omdat zij hem niet aanschouwt
en niet leert kennen;
maar jullie leren hem kennen
omdat hij in jullie verblijft
en ik in jullie zal zijn.
18 Ik laat jullie niet als wezen achter.
Ik kom naar jullie toe.
19 Nog klein zijnde, aanschouwt de wereld mij niet,
maar jullie aanschouwen mij, want ik leef,
en jullie zullen leven!
20 Op die dag zul je leren kennen hebben
dat ik in mijn Vader ben
en jullie in mij
en ik in jullie.
21 Wie mijn wijzingen waar maakt,
die is het die mij daad-werkelijk liefheeft.
En wie mij daad-werkelijk liefheeft,
hem(/haar) zal mijn Vader daad-werkelijk liefhebben.
En ik zal hem daad-werkelijk liehebben
en mijzelf aan hem openbaren.
Gelovig leven begint niet bij wat wij doen, maar bij wat er in ons gebeurt. Diep in ons draagt iets een stil, bijna verborgen verlangen naar liefde, omdat we van oorsprong door G-d bemind zijn. En toch raken we dat besef vaak kwijt door angst en de drang om alles zelf in handen te houden. We proberen te begrijpen en te sturen, maar telkens opnieuw botsen we op onze grenzen.
Daarom wordt ons de Geest van waarheid en liefde geschonken. Hij vormt ons om van binnenuit, opent onze ogen en leert ons kijken met een vernieuwde blik: aandachtig en ontvankelijk. In de ander, in elke ontmoeting, mogen we zo iets vermoeden van G-ds aanwezigheid. Niet als een prestatie van onszelf, maar als een langzaam ontwaken voor een werkelijkheid die ons al die tijd gedragen heeft, groeit in ons het besef dat G-d niet ver weg is, maar heel nabij, levend in elke mens.
Wat menselijk gezien onbereikbaar leek, wordt mogelijk wanneer we ons toevertrouwen aan die stille, uitnodigende beweging van liefde die ons telkens weer tegemoetkomt en ons leven opent.

