Joh.17,11b-19 (20/05/2026)
11b Heilige Vader,
hen die Jij mij gegeven hebt,
bewaar hen in Jouw naam,
opdat zij één zouden zijn zoals wij.
12 Zolang ik bij hen was,
be-waarde ik hen in Jouw naam:
ik heb gewaakt over wie Je mij gaf
en niemand van hen is verloren gegaan,
behalve de zoon van de verlorenheid
– opdat de Schrift vervuld moest worden.
13 Maar nu kom ik naar Jou
en spreek ik deze dingen uit in de wereld
opdat zij mijn vreugde vervuld mogen ontvangen in zich.
14 Ik heb hen Jouw woord gegeven.
De wereld is hen gaan haten
omdat zij niet van de wereld zijn,
zoals ik niet van de wereld ben.
15 Ik bid niet dat Je hen zou opheffen uit de wereld,
maar dat Je hen be-waar-t uit het kwade.
16 Zij zijn niet van de wereld,
zoals ik niet van de wereld ben.
17 Heilig hen in Jouw waarheid.
Jouw woord is waarheid.
18 Zoals Jij mij de wereld hebt ingezonden,
zo heb ik ook hen de wereld ingezonden.
19 En omwille van hen
heilig ik mijzelf,
opdat ook zij geheiligd zouden zijn
in de waarheid.
Jezus’ betrokkenheid op zijn leerlingen, zelfs op het moment dat hij afscheid neemt, raakt me. Hij bidt voor hen, draagt hen als het ware in zijn hart en spreekt uit wat zij zelf misschien niet onder woorden kunnen brengen. Alles heeft hij voor hen gegeven: zijn tijd, zijn liefde, zijn vertrouwen, uiteindelijk zelfs zijn leven. En toch houdt hij hen niet krampachtig vast. Hij vertrouwt hen toe aan de Vader. Daarin zit een grote tederheid én kracht.
Ik geloof, dat het juist die intimiteit met G-d is - waar de leerlingen nu in worden binnengetrokken - die het mogelijk maakt wel in de wereld te staan, maar niet van de wereld te zijn. Het geeft vertrouwen en kracht om te doen wat moet gedaan.
Eigenlijk verdraagt dit gebed nauwelijks commentaar. Eerder nodigt het ons uit om er in stilte bij te verwijlen in het besef dat iemand/Iemand voor ons bidt en het zo biddend mee te dragen in ons hart.

