Joh.6,51-58 (4/06/2026)
51 Ik ben het levende brood
dat uit de hemel is neergedaald.
Als iemand van dit brood eet,
zal hij in volheid leven.
Het brood dat ik zal geven voor het leven van de wereld
is mijn vlees [lichaam].
53 Jezus zei hen:
“Amen, amen, ik zeg jullie:
Als jullie het vlees van de mensenzoon niet eten
en zijn bloed niet drinken,
hebben jullie geen leven in jullie.
54 Wie mijn vlees herkauwt en mijn bloed drinkt,
heeft het volle leven
en ik zal hem doen opstaan op de ultieme dag.
55 Want mijn vlees is waarachtig voedsel
en mijn bloed waarachtige drank.
56 Wie mijn vlees herkauwt en mijn bloed drinkt,
verblijft in mij
en ik in hem.
57 Zoals de levende Vader mij gezonden heeft
en ik leef door de Vader,
zo zal ook wie mij herkauwt
leven door mij.
58 Zo is het met het brood dat uit de hemel is neergedaald.
Het is niet zoals met het manna
dat jullie vaderen aten terwijl ze [toch] gestorven zijn.
Wie dít brood herkauwt,
zal leven in volheid.”
Als je rondkijkt, merk je dat er bij mensen een honger leeft die dieper reikt dan het lichaam. Honger naar rust, verbondenheid, …, honger naar iemand die zegt: jij mag er zijn.
En dan klinken hier Jezus’ woorden: “Ik ben het levende brood”. Het is een vreemde verwoording, alsof voedsel (brood) tegelijk ook iemand (een mens van vlees en bloed) kan zijn.
En hij gaat nog verder: “Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt…” Deze woorden roepen weerstand op. Komen ze misschien te dicht op (onder) ons vel? Het is alsof G-d niet op afstand wil blijven, maar zich laat opnemen in wat broos en kwetsbaar is.
Hij wil voedsel zijn voor ons leven, niet iets dat alleen begrepen wordt met het hoofd. Hij hoopt dat wij hem langzaam in ons opnemen, zoals brood wordt opgenomen.
Zo wordt Jezus’ brood – dat wij ook ontvangen in de Eucharistie – een uitnodiging om ons te laten voeden door een nabijheid die zich niet laat bewijzen, maar zich geeft. En wie weet worden wij zo brood voor elkaar — mensen bij wie anderen even op krachten kunnen komen en mogen Léven.

