Joh.1,47-51 (29/09/2026)
47 Jezus zag Natanaël naar zich toekomen
en zei over hem:
“Kijk! Een waarachtige Israëliet,
iemand wiens hart geen ongerechtigheid herbergt.” [Ps.32,2]
48 Natanaël vroeg hem:
“Vanwaar ken jij mij?”
Jezus antwoordde:
“Vóór Filippus je riep, toen je onder de vijgenboom zat,
zag ik jou!”
49 Nu zei Natanaël:
“Rabbi, jij bent de zoon van God,
jij bent de koning van Israël!”
50 Jezus antwoordde hem:
“Omdat ik je zei dat ik je zag onder de vijgenboom, geloof je?
Je zult grotere dingen dan deze zien!”
51 En hij zei:
“Amen, amen, ik zeg jullie:
Je zult de hemel geopend zien
en Gods engelen zien opklimmen en neerdalen
op de mensenzoon.”
Niet zo vaak vernoemt Jezus zelf letterlijk de engelen. Voor het feest van de aartsengelen Michaël, Gabriël en Rafaël is het dan ook wat zoeken naar een geschikt Evangelie. Toch zijn die engelen ook in het Nieuwe Testament wel ‘aanwezig’, dermate zelfs dat áls Jezus ze noemt, het als heel vanzelfsprekend klinkt.
Ís dat zo vanzelfsprekend? Voor ons, erg rationeel denkende 21ste-eeuwers ligt dat wel wat moeilijker. Ook Natanaël had zo wel zijn kritische bedenkingen. Toch zegt Jezus dat ‘wiens hart geen ongerechtigheid herbergt’ G-ds engelen zal zien! Misschien moeten wij dus ons hart wijder openstellen, er meer ruimte in maken dan wat alleen ons verstand toelaat?
Hoe zouden wij ‘G-ds grote daden’ kunnen zien, als wij hem beperken tot onze eigen enge blik?

