Lc.2,22-(32-)40 (2/02/2026)
22 Toen de dagen van hun reiniging vervuld waren
[40 dagen na de geboorte],
brachten zij hem naar Jeruzalem
– volgens de wet van Mozes [Lev.12,1-8] –
om hem voor te stellen aan de Heer.
23 – Zoals geschreven staat in de wet van de Heer [Ex.13,2-15]:
Al het eerstgeborene van het mannelijk geslacht
aan de Heer worden toegewijd. –
24 en om – volgens de wet van de Heer –
de offerande te brengen:
een koppel tortels of twee jonge duiven.
[= zoals voor armen was bepaald]
25 Kijk!
In Jeruzalem woonde iemand die Simeon heette.
Hij was een rechtvaardige en een toegewijd gelovige man
die uitzag naar de vervulling voor Israël [de messias]
en de heilige Geest was met hem.
26 Het was hem door de heilige Geest geopenbaard
dat hij niet zou sterven
voor hij de gezalfde [christos/messiah] van de Heer
zou hebben gezien.
27 In die geest kwam hij naar de tempel
en toen zijn ouders de boreling Jezus binnenbrachten
om de gewoonten van de wet aan hem te voltrekken,
28 ontving ook hij het in zijn armen.
Hij loofde God en zei:
29 “Nu maak jij je dienaar vrij, in vrede, meester
– volgens jouw woord.
30 Want mijn ogen hebben jouw bevrijding [soteria] gezien
31 die jij bereid hebt voor alle volken:
32 een licht, tot verlichting van de volken
en tot heerlijkheid van jouw volk Israël.”
33 Zijn vader en moeder stonden verwonderd
over wat er van hem werd gezegd.
34 Simeon zegende hen
en zei tegen Maria:
“Kijk! Deze ligt hier tot val en opstanding van velen
en tot teken dat weersproken wordt,
35 zodat de innerlijke overwegingen van velen
aan het licht zullen komen.
– En ook je eigen ziel
zal door een zwaard worden doorboord.”
36 Er was ook een profetes: Hanna,
dochter van Fanuël, van de stam van Aser.
Ze was hoogbejaard:
na haar meisjesjaren had ze zeven jaar met haar man geleefd.
37 Nu was ze een weduwe van ongeveer vierentachtig jaar.
Nooit ging ze weg van de tempel
en ze diende de Heer nacht en dacht met vasten en gebed.
38 Juist op dat moment kwam zij er bij staan.
Antwoordend, loofde zij God
en sprak over hem
tot al wie uitzag naar de verlossing van Jeruzalem.
39 Toen ze alles volgens de wet van de Heer hadden volbracht,
keerden ze terug naar Galilea,
naar hun stad, Nazaret.
40 Het kindje groeide op en werd gesterkt,
het werd vervuld van wijsheid
en de genade van God was met hem.
Telkens wanneer ik bij een wiegje sta, komt er een gevoel van ‘huiver’ of ‘schroom’ in mij bovendrijven om dit nieuwe leven. Er werd hoopvol naar uitgekeken, werd verwacht, en krijgt de kans om een eigen weg te gaan — een weg die anders zal zijn dan die welke wij ooit gingen.
Juist daarom is een ritueel zoals de doop, of ten tijde van Jezus de opdracht in de tempel, zo belangrijk. Ik word er mij bewust van de kwetsbaarheid van dit leven en bied het, uit diepe dankbaarheid voor dit geschenk, aan G-d aan.
Dit Evangelie lezen terwijl je bij zo’n wieg van nieuw leven staat, katapulteert mij in het hier en nu. Het roept de vraag op hoeveel mysterie er in mensen blijft bestaan, ondanks alle technische vooruitgang en alle kennis. Hoe zal de toekomst zijn van de kinderen die ons vandaag zijn toevertrouwd? Welke wereld, welke wijsheid kunnen wij hun meegeven? Zijn wij bereid om het nieuwe dat hier aanvangt ruimte te geven? Kunnen we het zegenen en het uit handen geven, het aan G-d toevertrouwen en tot zijn volle recht laten komen?

