Lc.4,24-30 (9/03/2026)
24 Daarop zei hij:
“Zeker, ik zeg jullie
dat geen enkele profeet welkom is in zijn vaderstad.
25 Naar waarheid zeg ik jullie:
In de dagen van [de profeet] Elia
waren er veel weduwen in Israël
toen de hemel gedurende drieëneenhalf jaar gesloten bleef
zodat er grote hongersnood kwam over heel het land.
26 Toch werd Elia naar geen van hen gezonden
[om haar te redden van de hongerdood – 1 Kon.17]
maar naar een weduwe is Sarepta bij Sidon [= buiten Israël].
27 En ten tijde van de profeet Elisa
waren er veel melaatsen in Israël.
Toch werd geen enkele van hen gereinigd
maar wel de Syriër [= buitenlander] Naäman.”
28 Allen die in de samenkomst [synagoge] waren
en dit hoorden
raakten overvol woede.
29 Ze stonden op en wierpen hem buiten de stad.
Ze dreven hem naar de rand van de berg
waarop hun stad gebouwd was,
om hem van de steilte te gooien.
30 Maar hij ging midden tussen hen door
en trok weg.
‘Geen sant in eigen land’ is één van de vele uitdrukkingen in ons taalgebied die uit de Bijbel stammen. Geen taalles hier, de link met “geen profeet is welkom in zijn vaderstad” is duidelijk genoeg. De Bijbel weet het, de volksmond weet het, het zal dus ook wel realiteit zijn …
Maar Jezus laat het er niet voor zijn boodschap toch te brengen. Hoezeer ook met pijn in zíjn hart o.w.v. de verhardheid van hún hart, maar het is niet omdat de boodschap niet wil gehoord worden dat ze niet moet verkondigd worden!
Hoever staan wij zelf er mee om een bevrijdende boodschap van samenhorige gerichtheid op de ander te verkondigen in woord en voorál daad, in een wereld die die boodschap niet zal – want niet wil – horen? De pijn om de verhardheid van het hart van onze samen?-leving moeten we willen dragen, om toch te zaaien en verder tot een onbepaalde tijd te wachten op de oogst. De woede – altijd een blijk van onmacht tegen de waarheid – moeten we op onze hals willen halen, maar ze dan van ons afschudden en verder gaan …

