Lc.1,26-38 (25/03/2026)
26 In de zesde maand [van de zwangerschap van Elisabeth, de toekomstige moeder van Johannes de doper],
werd de boodschapper [engel] Gabriël vanwege God uitgezonden
naar een stad in Galilea, Nazaret genaamd,
27 naar een jonge vrouw die verloofd [in ondertrouw] was
met een man die Jozef heette, uit het huis van [die afstamde van koning] David.
De naam van die jonge vrouw was Maria.
28 De engel kwam bij haar binnen en zei:
“Vrede zij met jou, begenadigde. De Heer weze met jou!
Gezegend ben jij onder de vrouwen.”
29 Zij echter was erg in de war van deze woorden
en vroeg zich af wat deze begroeting moest betekenen.
30 De boodschapper zei tegen haar:
“Wees niet bang, Maria,
jij hebt genade gevonden bij God.
31 Kijk! Je zult zwanger worden
en een zoon baren
en je zult hem de naam ‘Jezus’ [God redt] geven.
32 Hij zal groot zijn
en zoon van de Allerhoogste worden genoemd,
en God de Heer zal aan hem geven
de troon van zijn vader David.
33 Hij zal koning zijn over het huis van Jakob [Israël]
tot in eeuwigheid
en aan zijn koningschap zal geen grens zijn.”
34 Nu zei Maria tegen de boodschapper:
“Hoe zal dat gebeuren,
aangezien ik geen omgang met een man heb?”
35 De boodschapper antwoordde haar:
“Heilige geest zal over jou komen,
de geestkracht van de Allerhoogste zal je omhullen.
Daarom ook zal wie uit jou geboren wordt
heilig genoemd worden, zoon van God.
36 Kijk! Elisabet, je bloedverwante,
ook zij heeft in haar ouderdom een zoon ontvangen.
Ze is in haar zesde maand,
hoewel ze onvruchtbaar werd genoemd.
37 Want bij God is geen woord krachteloos.”
38 Nu zei Maria:
“Ziehier de dienares van de Heer.
Moge met mij gebeuren naar jouw woord.”
En de boodschapper ging van haar weg.
Stel je even in de plaats van Maria. Gisteren kwam een engel je melden dat je zwanger bent. Nu loop je op straat tussen de mensen. Je weet iets wat niemand
anders weet. Je draagt een geheim met je mee, een nieuw begin van leven. Wat zei die engel ook al weer? Je bent begenadigd? Hij heeft mooi praten. Wat zullen de mensen zeggen, de familie, wat zal Jozef er van vinden? Ze zullen proberen de ‘schande’ zoveel mogelijk te bedekken of me wegsturen. Ze zullen hun hoofd schudden, met een mengeling van verontwaardiging en medelijden. Ze zullen het niet verstaan begrijpen.
Als je ook maar één moment probeert je in te leven in dit meisje, dan is het haast niet voor te stellen dat zij zich bereid verklaart. “Moge met mij gebeuren naar jouw woord.” Zij verklaart zich bereid om deel te hebben aan G-ds geschiedenis, aan G-ds komen in deze wereld, dat alles op zijn kop zal zetten. Zij gaat voorop in het horen en geloven, in haar ontvankelijkheid, met een kinderlijke onbevangenheid.
En wij? Mogen, kunnen, durven wij haar volgen?

