Lc.18,9-14 (14/03/2026)
9 Met het oog op sommigen
die van zichzelf vertrouwden dat ze integer waren
en neerkeken op de rest,
vertelde Jezus nu deze gelijkenis:
10 “Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden.
De ene was een farizeeër, de andere een tollenaar.
11 De farizeeër ging staan en bad over zichzelf:
“God, ik dank je
dat ik niet ben zoals de andere mensen:
grijpgraag, onrechtvaardig, overspelig, …
of zoals die tollenaar.
12 Ik vast twee maal per week
en ik sta een tiende van al mijn inkomsten af.”
13 De tollenaar bleef op een afstand staan,
hief zelfs zijn ogen niet naar de hemel,
maar sloeg zich op de borst:
“God, wil je verzoenen met mij, zondaar die ik ben.”
14 Ik zeg jullie:
Híj keerde naar huis terug integer geworden,
en niet de ander.
Want ieder die zichzelf groter maakt,
zal kleiner worden,
en wie zichzelf kleiner maakt,
zal groter worden.”
In deze gelijkenis staan twee mensen voor G-d: een Farizeeër en een tollenaar. De Farizeeër komt bidden. Hij somt zijn zegeningen op en dankt G-d omdat hij beter is als anderen! Zijn gebed klinkt vroom, maar hij blijft bij zichzelf; hij vraagt niets en stelt zich niet open.
De tollenaar komt ook bidden. Hij vraagt. Hij weet dat hij genade nodig heeft en durft dat ook uit te spreken. Er is schaamte, nood …
Toch gaat de gelijkenis voor mij verder dan een moreel oordeel over zelfingenomenheid tegenover schuldbesef. Waarom speelt zich dit af in de tempel? En nota bene onder het bidden? De tempel is een plaats van ontmoeting met G-d; en in het bidden zoeken we contact met die G-d. Zo kan onze verbondenheid met G-d groeien. En daar wordt een verschil zichtbaar: bidden kan een moment van zelfbevestiging zijn, of een moment van eerlijk contact. Waar geen verlangen of openheid is, blijft alles bij het oude. Maar waar iemand zich kwetsbaar opstelt en om hulp vraagt, ontstaat ruimte voor verandering en genade.

