Mc.2,18-22 (19/01/2026)
18 De leerlingen van Johannes en die van de farizeeën hielden vasten.
Ze kwamen naar Jezus:
“Waarom vasten die leerlingen wel,
maar jouw leerlingen niet?”
19 Jezus antwoordde:
“De vrienden van de bruidegom kunnen toch niet vasten
zolang de bruidegom bij hen is?
Al de tijd dat zij hem bij zich hebben, kunnen zij niet vasten.
20 Maar er zullen dagen komen
dat de bruidegom van hen is weggenomen.
Dan zullen zij vasten.
21 Niemand naait een lap van ongekrompen stof op een oud kledingstuk;
anders trekt het nieuwe aan het oude
en wordt de scheur erger.
22 En niemand doet nieuwe wijn in oude leren zakken;
anders doet de wijn de zakken barsten
en gaat de wijn verloren met de zakken.
Nee. Nieuwe wijn hoort in nieuwe leren zakken.”
Ook al is het duidelijk uit het Evangelie dat Jezus van het leven kon genieten, toch schafte hij het vasten niet af. Spirituele bewegingen als de ascetische van Johannes, en de wetsgetrouwe van de farizeeën beoefenden het vasten. Ook de ‘Jezusbeweging’ zal het doen, maar Jezus zet het hier wel in het licht zoals hij het ziet. Vasten gaat voor hem niet om de ascetische of de wetsgetrouwe oefening op zich, alsof iemand daarmee op eigen heldhaftige kracht spirituele verlichting zou kunnen bereiken. Vasten is voor Jezus – zoals zo vaak voor hem – een relationeel gebeuren, dat de mens dus ipso facto níet uit zichzelf kan. Vasten is de bewust doorleefde uitdrukking van een gemis.
Een gemis aan voedsel? Ook! Het blijven beseffen van de niet-vanzelfsprekendheid daarvan, en hoevelen teveel daarvan moeten missen.
Een gemis aan Jezus? Ook dus, zoals hij het zelf aangeeft. Vasten zou eigenlijk in de eerste plaats ons verlangen naar hém moeten aanwakkeren.
Een gemis aan het ‘koningschap van G-d’? Finaal gaat het daarom: Vasten is openheid creëren – en vooral toelaten – om G-ds nieuwe! rijk z’n volle plaats te geven.
Het lijkt nog wat vroeg om nu al met de vasten bezig te zijn, maar het kan geen kwaad om nu al even te denken hoe ernstig we onze vasten over 5 weken zullen nemen.

