Mc.10,28-31 (26/05/2026)
28 Petrus ging daarop in
[op Jezus’ uitspraken over de rijke jonge man]
en zei tegen Jezus:
“Kijk, wíj hebben toch maar alles losgelaten
en wíj zíjn je gevolgd …”
29 Jezus antwoordde:
“Amen, ik zeg jullie:
Er is niemand die zijn huis heeft losgelaten,
of zijn broers of zussen,
of zijn vader of moeder,
of zijn vrouw en kinderen,
of zijn akkers,
omwille van mij en de bevrijdende boodschap [Euangelion],
30 die niet, nu in deze tijd,
honderdvoudig huizen ontvangt,
en broers en zussen,
en moeders en kinderen,
en akkers,
– zij het mét vervolgingen –
en in de nieuwe tijd het volle leven.
31 Maar vele eersten zullen laatsten zijn
en de laatsten de eersten!”
Er klinkt iets van vermoeidheid en twijfel in Petrus’ woorden: “Kijk, wij hebben toch maar alles achtergelaten en zijn je gevolgd.” Achter die trouw schuilt ook de vraag: wat heeft het ons eigenlijk opgeleverd?
Petrus weet tegelijk dat dat “alles achterlaten” nooit helemaal volledig is. Er blijft altijd iets hangen: herinneringen, zekerheden, een heimwee naar vroeger. En misschien ook de stille vraag of de keuze wel de moeite waard was.
In die spanning dreigt het volgen van Jezus een soort rekensom te worden: wat ben ik kwijt, wat krijg ik ervoor terug? Alsof geloven een ruil zou zijn.
Jezus gaat niet mee in die logica. Hij antwoordt niet met berekeningen, maar met een belofte die groter is: wie hem volgt, ontvangt nu al honderdvoudig — in nieuwe relaties, nieuwe ruimte, nieuw leven. En tegelijk verzwijgt hij niet dat die weg ook doorheen weerstand en pijn gaat.
Hijzelf ging die weg voor en nodigt ons uit hem te volgen: niet in een systeem van winst en verlies, maar in een beweging van vertrouwen.

