Mt.11,16-19 (12/12/2025)
16 Waarmee zal ik de mensen van deze generatie vergelijken?
Ze zijn als kleine kinderen die op de markt zitten
en hun vriendjes toeroepen:
17 ‘Wij spelen voor jullie op de fluit, maar je danst niet.
Wij zingen voor jullie een klaaglied, maar je weent niet!’
18 Want Johannes kwam,
hij at noch dronk
en ze zeggen: ‘Hij is van een demon bezeten.’
19 En de mensenzoon kwam,
hij at en dronk wél
en ze zeggen: ‘Kijk eens naar die vreter en zuiper,
die vriend van tollenaars en zondaars!’
Wijsheid wordt als waar erkend
door allen die haar kinderen zijn.
Soms – vaak eigenlijk – zou ik wel eens in het hoofd van Jezus willen kunnen kruipen om te weten te komen wat hij écht dacht over gebeurtenissen of mensen. Meestal zien we hem als de eindeloos milde en geduldige, maar her en der ‘ontsnappen’ (?) er toch andere soorten reacties die iets lijken weer te geven van ergernis of ongeduld. Zoals in deze passage – meen ik.
Wat had Jezus toch te stellen met de wispelturigheid van de mensen! Vaak reikt hun perspectief niet verder dan de dag, en al zeker niet verder dan zichzelf. Ze ‘spelen maar mee’ als en zolang het hen uitkomt. “Moet ik dáármee G-ds koninkrijk bouwen?,” moet hij toch vaak gedacht hebben …
Of projecteer ik daarmee alleen maar mijn éigen ergernis en ongeduld in Jezus? Is het mijn eigen niet-mild zijn met mijn medemensen die hier vooral spreekt? Daarmee verdoezelend hoe wispelturig ik zélf ben en wat Jezus met míj te stellen heeft …?

