Mc.6,34-44 (6/01/2026)
34 Toen Jezus uitstapte
zag hij dan ook een grote menigte.
Hij werd ten diepste bewogen om hen,
want ze waren als schapen zonder herder.
En hij begon hen over vele dingen te onderrichten.
35 Toen het al laat geworden was,
kwamen zijn leerlingen hem zeggen:
“Dit is een eenzame plaats en het is al laat.
36 Stuur hen weg
zodat ze naar de dorpen en gehuchten rondom kunnen gaan
om eten voor zichzelf te kopen.”
37 Maar hij antwoordde:
“Geven jullie hun maar te eten.”
Ze vroegen:
“Moeten wij dan voor tweehonderd daglonen brood gaan kopen om hen te eten te geven?”
38 Maar hij vroeg:
“Hoeveel broden hebben jullie, ga eens kijken?”
Ze keken het na en zeiden: “Vijf, en twee vissen.”
39 Hij gebood hun zich neer te zetten,
in groepen op het groene gras.
40 Ze zetten zich in groepen van honderd en van vijftig.
41 Hij nam de vijf broden en de twee vissen,
keek op naar te hemel,
zegende en brak de broden.
Hij gaf ze aan zijn leerlingen
om ze hun voor te zetten.
Ook de twee vissen deelde hij aan allen.
42 Allen aten tot ze voldoende gevoed waren
43 en van de overgebleven stukken
verzamelden ze twaalf korven
– ook van de vissen.
44 Het waren ongeveer vijfduizend mannen
die van de broden hadden gegeten.
De ‘broodvermenigvuldiging’ is het enige wonderverhaal dat in elk van de vier Evangelieversies staat. Het moet dus wel indruk hebben gemaakt, én ook heel typisch voor Jezus zijn geweest.
Maar laten we ons niet blind staren op de spectaculaire buitenkant van het verhaal, zoals Jezus helaas zelf aan zijn leerlingen moet verwijten, zowel de grote groep als de kleine groep. Het gaat niet om het uiterlijke brood!
Wél gaat het om waar het start, namelijk bij de diepe bewogenheid die Jezus voelt dat de mensen geen bekwame en behoedzame leiding vinden.
Niemand – ook wijzelf niet – kunnen zonder ‘richtingaanwijzers’. Maar wie biedt die, en vooral: waar wijzen ze naar? Ongetwijfeld zou Jezus vandaag dezelfde bewogenheid voelen én dezelfde uitspraak moeten doen. ‘Leiders’ zijn er vandaag zeker wel, maar ‘herders’?
En dan kunnen we – terecht – denken aan ‘de leiders van de wereld’, maar laten we maar starten in ons eigen leven: ben ík een herder voor mijn medemens? Let wel: Een ‘ja’ op deze vraag veronderstelt dat ik hen ‘het nodige brood’ geef …

