Mt.9,36 – 10,8 (14/06/2026)
36 Toen hij de menigte echter overzag,
werd hij diep innerlijk bewogen om hen,
omdat ze opgejaagd en krachteloos waren,
als schapen zonder herder.
37 Hij zei tegen zijn leerlingen:
“De oogst is wel overvloedig,
maar arbeiders zijn er weinig.
38 Vraag daarom aan de heer van de oogst
dat hij arbeiders uitstuurt in zijn oogst.”
1 En hij riep zijn twaalf leerlingen bij zich
en gaf hen volmacht
over nog niet gereinigde geesten,
zodat ze die aan het licht konden brengen
en elke ziekte en zwakte helen.
2 Dit zijn de namen van de twaalf uitgezondenen [apostels]:
Als eerste Simon, die Petrus [rots] wordt genoemd,
en zijn broer Andreas;
Jakobus, de zoon van Zebedeüs,
en zijn broer Johannes;
3 Filippus en Bartolomeüs;
Thomas en Matteüs, de tollenaar;
Jakobus, de zoon van Alfeüs,
en Taddeüs;
4 Simon, de Kananeeër,
en Judas, de man uit Kerioth,
die hem uitgeleverd heeft.
5 Deze twaalf zond Jezus uit
en droeg hen op:
“Ga niet de weg van de heidenen,
ga niet binnen in een stad van de Samaritanen,
6 maar ga veeleer naar de verloren schapen
van het huis van Israël.
7 Ga en verkondig:
Het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.
8 Heel de verzwakten, reinig de melaatsen,
wek de doden op, verdrijf de demonen.
Voor niets heb je ontvangen,
voor niets moet je geven.
Worden wij nog “diep innerlijk bewogen” om wat er met onze medemensen gebeurt? – En dat is iets anders dan meewarig staan kijken en klagen over hoe slecht het allemaal wel gaat in de wereld. Áls wij het al gezien hebben – want meestal kijken we weg, of doen onze afweermechanismen alsof we het niet gezien hebben –, blijven we passief – wat we dan vaak nog wegrationaliseren met ‘ik kan daar toch niets aan doen’.
Jezus’ “diepe innerlijke bewogenheid” – die dus ook de onze zou moeten zijn – blijft niet bij een passief vaststellen, maar doet van binnenuit naar buiten in beweging komen. Omdat hij weet dat ook hij – zelfs hij – het niet alleen kan, verzamelt hij medestanders rond zich, maar niet om in hun eigen knusse kringetje te blijven, maar erop uit te trekken. En dat dan weer niet om structuren op poten te zetten en die dan krampachtig recht houden (wat dan vaak ten koste van de mensen gaat), maar om G-ds nabijheid bij de mens met het eigen leven te verwerkelijken. De ‘check-vraag’ van een leerling van Jezus zou dus moeten zijn: wordt er in mijn leven iets daad-werkelijk voelbaar van G-ds nabijheid bij mijn medemens?

