Mt.14,22-33 (3/08/2026)
22 Onmiddellijk dwong Jezus zijn leerlingen
in de boot te stappen
en voor hem uit naar de overkant te varen,
terwijl hij de menigte zou wegzenden.
23 En nadat hij hen had weggezonden, ging hij de berg op
om in afzondering te bidden.
Toen de avond viel, was hij daar alleen.
24 De boot was al midden op het meer, ver van het land,
en werd geteisterd door de golven.
Ze hadden immers de wind tegen.
25 In de vierde nachtwake [laatste kwart van de nacht]
kwam Jezus tot bij hen, wandelend op het meer.
26 Toen de leerlingen hem zagen wandelen op het meer,
raakten ze in grote verwarring.
“Een spook [phantasma]!”, zeiden ze
– en ze schreeuwden van angst.
27 Onmiddellijk echter sprak Jezus tegen hen:
“Hou moed, ik ben het, vrees niet.”
28 Petrus antwoordde hem nu:
“Heer, als jij het bent,
beveel mij dan bij jou te komen op het water.”
29 Hij zei: “Kom!”
En Petrus stapte uit de boot,
wandelde op het water
en ging naar Jezus.
30 Toen hij echter de wind zag,
werd hij bang en begon te zinken.
Hij schreeuwde: “Heer, red mij!”
31 En onmiddellijk strekte Jezus zijn hand uit
en greep hem vast.
Hij zei hem: “Klein-vertrouwende, waarom wankelde je?”
32 Ze stapten in de boot
en de wind ging liggen.
33 Zij die in de boot zaten, bogen voor hem neer:
“Waarlijk, jij bent Gods zoon!”
Rond Jezus groeit een gespannen verwachting: het verlangen naar bevrijding, naar een Messias ... Jezus is alleen de berg opgegaan om de verbinding met de Vader te voelen en te voeden. Ondertussen is de nacht gevallen en tegen de ochtend – voor de leerlingen in de boot is het nog stikdonker – komt Jezus over het water naar hen toe. Ze zijn overgeleverd aan de woeste golven en de opgestoken wind. Hoewel ze kort daarvoor het wonder van breken en delen meemaakten, worden ze opnieuw door angst bevangen. Ze herkennen Jezus niet. Pas wanneer hij spreekt herkennen ze hem. Petrus stapt naar hem toe. Maar als hij over de golven wil gaan, slaat de angst opnieuw toe. Niets menselijks is hem vreemd. Vurig geloof en kleinhartige twijfel liggen dicht bij elkaar. Toch roept hij om hulp. Jezus steekt zijn hand uit. Hij laat niemand verloren gaan die om hulp roept. Indrukwekkend: de wind gaat liggen en het water wordt stil.
Zo mochten ze ervaren: “Dat niets je verwart, dat niets je schrik aanjaagt, wie God heeft, hem ontbreekt niets. Solo Dios basta.” (Teresa van Ávila)

