Mt.20,20-28 (25/07/2026)

20 Toen kwam de moeder van de zonen van Zebedeüs,
       samen met haar zonen, naar hem
       en boog voor hem neer om iets van hem te vragen.
21     Hij vroeg haar: “Wat wil je?”
       Ze zei hem: “Zeg dat in jouw koninkrijk
       deze twee zonen van mij mogen zetelen,
       één rechts en één links van jou.”
22     Maar Jezus antwoordde: “Je weet niet wat je vraagt.
       Kunnen jullie de beker drinken die ik zal drinken,
       of je laten onderdompelen
       met de onderdompeling die ik zal ondergaan?”
       Ze zeiden hem: “Ja, dat kunnen wij.”
23     Hij ging tegen hen verder:
       “Ja, mijn beker zul je wel drinken
       en ondergedompeld worden waarin ik ondergedompeld wordt,
       maar wat betreft het rechts of links van mij zetelen:
       het is niet aan mij dat te geven,
       dat is voor hen voor wie mijn Vader dit bereid heeft.”

24     De tien [overige leerlingen] hoorden dit
       en ergerden zich aan de twee broers.
25       Maar Jezus riep hen bij zich en zei:
       “Jullie weten dat de leiders van de volken hen overheersen
       en dat de groten hun macht misbruiken tegen hen.
26     Zo mag het bij jullie niet zijn!
       Wie onder jullie groot wil worden,
       moet jullie dienaar zijn,
27     en wie onder jullie de eerste wil zijn,
       moet jullie knecht zijn;
28     zoals de mensenzoon niet gekomen is
       om gediend te worden,
       maar om te dienen
       en zijn leven te geven als losgeld voor velen [= allen].”

In de liturgie wordt voor het feest van de apostel Jakobus de rode kleur gebruikt. Dat rood staat voor het bloed van de martelaren – wat Jakobus inderdaad geworden is (dat staat al te lezen in Hand.12,2) – maar ook voor het rood van … de liefde! Want kan het één zonder het ander?
We hadden het onlangs nog: Wie iemand liefheeft, mag er van uitgaan dat dat lijden met zich zal meebrengen. Zou trouwens iemand de marteldood accepteren zónder de liefde voor Christus?
Over die onverbrekelijke band tussen liefde en lijden, tussen “dienaar willen zijn” en “de beker drinken”, zouden wij wellicht allemaal wel wat voorbeelden kunnen geven t.a.v. mensen die ons bijzonder dierbaar waren/zijn. Maar zouden we dat ook kunnen zeggen t.a.v. G-d? Kunnen wij – mee met Jezus, die wij toch volgen – zeggen dat wij ‘passie’ hebben voor G-d, hét woord waarin die twee samen vervat liggen? En hoe ver zullen wij gaan voor die passie? Tot waar het óns goed uitkomt? Doen wij dat zo met wie wij liefhebben?

Het onderweghuis

logo
  Het Onderweghuis
  Grote Baan 121
  2235 Hulshout
  BE47 9796 4400 0280