Mt.9,9-13 (21/09/2026)
9 Jezus ging van daar verder
en zag een zekere Matteüs bij het tolhuis zitten.
“Volg mij,” zei hij tegen hem,
en hij stond op en volgde Jezus.
10 Jezus ging in op zijn uitnodiging voor een afscheidsmaal.
En kijk: Veel tollenaars en zondaars kwamen ook
en lagen mee aan tafel met Jezus en zijn leerlingen.
11 Toen de Farizeeën dit zagen,
insinueerden ze tegen zijn leerlingen:
“Waarom eet die meester van jullie met tollenaars en zondaars?”
12 Maar Jezus had dit gehoord en antwoordde:
“Niet de gezonden hebben een dokter nodig,
maar de zieken.
13 Ga, en onderzoek wat dit wil zeggen.
Mededogen wens ik, geen holle offers.
Niet om de rechtvaardigen te roepen, ben ik gekomen,
maar de zondaars.”
Ik zie het tafereel al voor me. Jezus is op weg en ziet Matteüs. Hij ziet de niet-graag-geziene. Hij ziet zijn angst om wéér afgewezen te worden én hij ziet het verlangen om te mogen zijn wie hij echt is, hoe hij bedoeld is.
Jezus en Matteüs komen tegenover elkaar te staan. Tussen hen in klinken alleen de woorden: “Volg mij”. Korter kan het niet. Het moet een ingrijpende roepstem geweest zijn, die Matteüs in de spanning brengt tussen verlangen en angst. Zal hij zich wagen? Zullen wíj ons wagen?
Matteüs staat op en volgt hem. Opstaan en volgen horen blijkbaar bij elkaar. En dan wordt er maaltijd gehouden door Jezus en zijn leerlingen, samen met tollenaars en zondaars. Samen aan tafel om te weten waartoe je geroepen bent; om de ongezienen te zien, om geheeld te worden en te helen. Samen aan tafel om hen te laten weten dat zij niet uit G-ds genade vallen.
Daarom houden ook wij maaltijd, met al onze verschillen, met ons goed en kwaad, onze zo gebrekkige, op onszelf gerichte liefde. Zo worden wij verbonden – en dat kan, omdat niemand uit zijn genade valt.

