Mc.7,31-37 (13/02/2026)
31 Jezus ging weer weg van het gebied van Tyrus en Sidon
en kwam bij het meer van Galilea,
in het gebied van Dekapolis.
[dus aan de oostzijde van het meer, ook Helleens/’heidens’ gebied]
32 Men bracht hem een dove,
die ook moeilijk sprak,
en ze smeekten
hem de handen op te leggen.
33 Jezus nam hem uit de menigte apart,
stak zijn vingers in zijn oren,
spuwde en nam zijn tong vast.
34 Hij keek op naar de hemel,
zuchtte
en zei tegen hem:
“Effata!” – wat betekent: word geopend.
35 Onmiddellijk openden zich zijn oren
en werd de band van zijn tong los
en kon hij gewoon spreken.
36 Jezus gebood hun het aan niemand te zeggen,
maar hoe meer hij het verbood,
hoe meer zij het verkondigden.
37 Ze waren uitermate versteld
en zeiden:
“Alles doet hij goed!
Doven doet hij horen
en sprakelozen spreken.”
Een verhaal, over een woordeloos mens, in zichzelf opgesloten, niet in staat om te horen of te spreken. Alles wat een mens tot mens maakt, kan hij niet.
In en onder dit verhaal ligt het herkenbare verlangen van elke mens.
Wie verlangt niet naar iemand die je aanspreekt – zoals Jezus deze woordeloze mens aanspreekt –, niet op je gebrek, maar op je mogelijkheden? Wie verlangt niet naar iemand die je terzijde neemt en losmaakt uit de massa, want geen mens is alleen maar één van de velen?
Jezus raakt de man aan, net ook in diens kwetsbaarheid: oren die niet kunnen horen en een tong die niet spreekt. Hij zucht en zegt: “Effata, ga open!”
Het is de kortste samenvatting van heel Jezus’ leven en Evangelie – goed nieuws, bevrijdende boodschap –: Ga open, leer luisteren, leer spreken, leer leven! Je bent geroepen om je los te maken uit de menigte en uit stomheid die enkel verwarring en onbegrip schept.
Ga open, lééf!, en maak het zo ook voor anderen mogelijk om aan het woord te komen, het eerst zij die denken niets te zeggen hebben.

