Mt.21,33-43.45-46 (6/03/2026)
33 Luister naar een andere vergelijking
[zei Jezus tegen de afgezanten van de Joodse oversten]:
“Er was eens een huisheer die een wijngaard aanlegde.
Hij zette er een omheining rond,
groef erin een perskuip uit
en bouwde er een wachttoren.
Toen verhuurde hij hem aan wijnbouwers
en vertrok naar het buitenland.
34 Toen nu de tijd kwam van de oogst,
zond hij zijn dienaars naar de wijnbouwers
om zijn deel van de oogst te ontvangen.
35 Maar de wijnbouwers grepen zijn dienaren vast.
De een ranselden ze af, een ander doodden ze
en nog een ander stenigden ze.
36 Opnieuw zond hij nu dienaren,
meer nog dan de eersten,
maar ze deden met hen net zo.
37 Ten slotte zond hij zijn zoon naar hen,
denkend dat ze door zijn zoon tot inkeer zouden komen.
38 Toen de wijnbouwers de zoon zagen,
zeiden ze echter onder elkaar:
“Dat is de erfgenaam!
Vooruit, laten we hem doden
en zijn erfenis in bezit nemen.”
39 Ze grepen hem dus vast,
wierpen hem buiten de wijngaard
en doodden hem.
40 Wanneer nu de heer van de wijngaard komt,
wat zal hij met die wijnbouwers doen?”
41 Ze antwoordden hem:
“Hij zal die slechteriken
een slechte dood doen sterven
en de wijngaard zal hij verhuren
aan andere wijnbouwers
die hem de oogst wel zullen geven
wanneer het daar de tijd voor is.”
42 Maar Jezus zei:
“Herkennen jullie het Schriftwoord niet?
De steen door de bouwers afgekeurd,
die steen is hoeksteen geworden.
Dat is het werk van de heer,
een wonder is het in onze ogen. [Ps.118,22-23]
43 Daarom zeg ik jullie:
Het koninkrijk van God zal van jullie weggenomen worden
en gegeven aan een volk
die er de oogst van voortbrengt.
45 Toen de hogepriesters en de Farizeeën deze gelijkenissen hoorden,
begrepen ze dat hij over hen sprak.
46 En zij zochten hem vast te grijpen,
maar ze waren bang voor de mensen,
omdat zij hem voor een profeet hielden.
Voor een goed begrip moeten we deze parabel lezen in haar context, en die is dat Jezus spreekt tegen mensen die eigenlijk geloofsgenoten zijn, maar die zijn boodschap daarover niet aannemen. G-d heeft aan de mensen zijn wijngaard – zijn Schepping – toevertrouwd, maar zij dragen er de vruchten niet van af. Meer nog, ze verwerpen de dienaren – G-ds profeten, waaronder ook Jezus valt – en menen zich die wijngaard te kunnen toe-eigenen. De parabel vertelt dat G-d daarom zijn Schepping aan ánderen zal toevertrouwen – dat is dus aan mensen die het in de ogen van de eersten niet waard zijn.
Wij kunnen makkelijk denken dat ‘de Joden’ de eerste categorie zijn, en wijzelf de tweede categorie. Maar dat is niet automatisch waar. De vraag is uiteraard evident: beheer ík de Schepping met de nodige zorg en draag ik er de vruchten van af aan wie ze toekomen? Want ook vandaag kan het best gebeuren – ís het aan het gebeuren – dat die ‘wijngaard’ mij ontnomen wordt. Een vervolgvraag is dan: En wie zijn de mensen van wie ík denk dat ze het niet waard zijn die wél er op een gepaste wijze mee omgaan? En wil ik dan tot hén behoren?

