Mt.5,1-12 (8/06/2026)
Vandaag beginnen we weer aan twee weken lezing van de Bergrede. Eerder maakten we daar een reeks van en schreven er ook een inleiding bij. Die is nog altijd lezenswaardig en kun je makkelijk vinden via deze link.
1 Toen Jezus al die mensen zag,
ging hij de berg op en ging zitten.
Zijn leerlingen kwamen om hem heen.
2 Hij nam het woord en onderrichtte hen:
3 “Gezegend wie leeft in de geest van het bedelaarschap.
Ja, van hen is het koninkrijk der hemelen.
4 Gezegend wie diep droevig zijn.
Ja, zij zullen worden vertroost.
5 Gezegend de ootmoedigen.
Ja, zij zullen te-vrede-nheid ontvangen. [Ps.37,11]
6 Gezegend wie hongeren en dorsten naar wat waarachtig is.
Ja, zij zullen verzadigd worden.
7 Gezegend de barmhartigen.
Ja, zij zullen barmhartigheid ontmoeten.
8 Gezegend wie integer is in denken en doen. [Ps.24,4]
Ja, zij zullen God zien.
9 Gezegend wie vrede bewerken.
Ja, zij zullen kinderen van God worden genoemd.
10 Gezegend wie vervolgd worden om wat waarachtig is.
Ja, van hen is het koninkrijk der hemelen.”
11 “Gezegend zijn jullie
wanneer ze je uitschelden en vervolgen
en onterecht allerlei kwaad over jullie spreken
omwille van mij.
12 Wees blij en jubel!
Ja, overvloedig is jullie loon in de hemelen.
Zo immers werden de profeten vóór jullie ook vervolgd.”
Wat mij betreft zijn het gewaagde woorden die Jezus daar op de berg spreekt. Gewaagd, omdat het gaat over gezegend zijn — en die zegen wordt uitgesproken over mensen die zich in uiterst troosteloze situaties bevinden. Dat schuurt.
Gewaagd ook, omdat het mij en ons de vraag stelt: wil ik wel onder dit woord staan? Wil ik gezegend zijn zó verstaan?
Jezus ziet een schare mensen voor zich. Hij ziet wie zij zijn: mensen getekend door onrecht, mensen die door het leven zelf in een verlangen naar bevrijding zijn geduwd. En Hij ziet wie zij zouden kunnen zijn: vrije mensen, zich gedragen wetend, bemind en gezegend.
Ik zal alleen geraakt worden als ik durf te erkennen dat onze wereld arm is. En misschien nog moeilijker is het te erkennen dat ook ik arm ben, hoezeer ik het leven ook in handen dacht te hebben. Dat besef is niet vanzelfsprekend.
En nóg moeilijker is het dat ik onder ogen zie dat ik mezelf niet kan bevrijden.
Durven wij ons aan deze woorden toevertrouwen — aan Hem?

