Mt.11,25-27 (15/07/2026)
25 Ook in die tijd zei Jezus:
“Ik prijs en dank je, vader, heer van hemel en aarde,
dat je deze dingen verborgen hebt
voor [eigenmachtige] bekwamen en verstandigen
en ze onthuld hebt
voor [onmachtige] onmondigen.
26 Ja, vader, zo heb jij het goed bevonden voor jouw gelaat.
27 Alles is mij door mijn vader toevertrouwd,
en niemand weet wie de zoon is, behalve de vader,
en niemand weet wie de vader is, behalve de zoon
en aan wie de zoon het wil onthullen.
Jezus neemt de tijd om zich te richten tot G-d. Hij dankt voor de kracht die schuilt in het ten diepste gekend zijn, in de onvoorwaardelijke liefde die hem draagt. Die heeft hij ervaren in zijn verbondenheid met de Vader. Vanuit die intimiteit wordt zelfs wat zwaar is draaglijk, omdat er een perspectief opengaat. (Daarover lezen we morgen verder.)
Dit alles blijft verborgen voor wijzen en verstandigen, dat wil zeggen: voor mensen die menen het al te weten en zich niet langer laten verrassen door wat hun geschonken wordt; voor mensen die misschien wel geloven, maar zich niet meer ten diepste laten raken.
Het visioen van het koninkrijk van de hemel en de kracht van G-ds verbondenheid met de mens – zichtbaar geworden in Jezus – worden juist geopenbaard aan eenvoudige mensen: aan wie onbevangen is, ontvankelijk en open voor wat zich aandient.
Misschien is dat de uitnodiging die in deze woorden besloten ligt: niet om meer te weten, maar om ontvankelijker te worden. Om ons telkens opnieuw te laten verrassen door de liefde waarmee G-d zich naar mensen toewendt.

