Mt.22,34-40 (21/08/2026)
34 Maar toen de Farizeeën hoorden
dat hij de Sadduceeën de mond had gesnoerd,
kwamen ze bijeen
35 en één van hen, een wetgeleerde, ondervroeg hem:
36 “Meester, wat is het grootste gebod in de wet?”
37 Jezus antwoordde:
“Je zult de heer je God daad-werkelijk liefhebben,
met geheel je hart,
met geheel je geest
en met geheel je verstand. [Deut.6,5]
38 Dat is het grootste en eerste gebod.
39 Het tweede is daaraan gelijk:
Je zult wie jou nabij komt
daad-werkelijk liefhebben als jezelf. [Lev.19,18]
40 Aan deze twee geboden
hangen geheel de wet en de profeten.
“Wat is het grootste gebod in de wet?” Met die vraag komen de Farizeeën bij Jezus aankloppen. Op zich is dit best een zinvolle vraag, al is de intentie waarmee ze gesteld wordt verre van zuiver. Toch daagt Jezus’ antwoord mij onmiddellijk uit om even stil te staan bij mezelf.
Het antwoord is helder en krachtig, in alle eenvoud geformuleerd zodat je de woorden niet snel kan vergeten. Het daad-werkelijk waarmaken is echter een ander paar mouwen. Nochtans is de kern éénduidig: graag zien — G-d én de mensen —, niet vrijblijvend, maar daad-werkelijk en met overgave. Er mag best wat daadkracht zitten in de liefde.
Klinkt 'graag zien' vandaag de dag misschien wat te mager? Voor Jezus is liefhebben grensverleggend en radicaal: het gaat over alles durven geven, jezelf verliezen en zelfs je leven wagen. Zulke allesomvattende liefde is menselijkerwijs niet op te brengen. Ze kan alleen maar waar gemaakt worden als ze vertrekt vanuit een diepe verbondenheid met G-d. Pas wanneer jij je gedragen weet door zijn liefde, worden ook de zorg voor jezelf én de onvoorwaardelijke liefde voor de ander mogelijk.

