Mt.23,27-32 (26/08/2026)
27 Wee jullie, schriftgeleerden en farizeeën,
ondermaatse oordelaars [hypokrites],
omdat jullie zijn als witgekalkte graven,
die aan de buitenkant wel mooi schijnen,
maar aan de binnenkant vol zijn
van doodsbeenderen en allerlei onreinheid.
28 Zo schijnen ook jullie aan de buitenkant rechtvaardig voor de mensen,
maar aan de binnenkant zijn jullie vol
van ondermaats oordeel en wetteloosheid.
29 Wee jullie, schriftgeleerden en farizeeën,
ondermaatse oordelaars,
omdat jullie graven voor de profeten bouwen
en de gedenkplaatsen van de rechtvaardigen versiert,
30 en zegt:
‘Als wij hadden geleefd in de dagen van onze vaderen,
dan zouden wij niet medeplichtig zijn aan het bloed van de profeten.’
31 Zo getuig je over jezelf
dat je zonen bent van wie de profeten vermoordden
32 en maken ook jullie de maat van jullie vaderen vol.
Wat Jezus voornamelijk aan ‘de schriftgeleerden en farizeeën’ verwijt is dat ze – in het Grieks van de evangelist Matteüs – ‘hypokritès’ zijn. Gewoonlijk wordt dat weergegeven als … ‘hypokriet’, maar aangezien dat dus geen echte vertaling is, zegt het niet zo veel.
Het gaat om oordeelsvermogen, en dan wel een tekort daaraan. Een grondig en fijn onderscheidingsvermogen is in de Bijbel – en voor ‘álle mensen van goede wil’ – een uitermate belangrijk instrument. Te weten wanneer je binnen de grens van het Go(e)de blijft of er buiten treedt, is nooit vast te leggen in regeltjes of uiterlijkheden. Altijd gaat het om een fijn onderscheiden van wat ‘G-ds wil’ is en wat niet, hier en nu, op dit moment, in deze situatie en omstandigheid, voor mij.
‘De schriftgeleerden en farizeeën’ – én wijzelf! – vallen heel vaak nogal ondermaats uit als het op dat onderscheidingsvermogen aan komt. We nemen bijzaken voor hoofdzaken, klampen ons vast aan details en ver-oordelen daarmee makkelijker anderen dan onszelf. Onderscheiding – diakritès – begint met dat te door-zien en te durven zien.

