Joh.19,25-34 (25/05/2026)
25 Bij Jezus’ kruis stonden
zijn moeder, de zuster van zijn moeder,
Maria [de vrouw] van Klopas en Maria van Magdala.
26 Toen Jezus zijn moeder zag,
en naast haar de leerling die hij liefhad,
zei hij tegen zijn moeder: “Vrouw, kijk, je zoon!”
27 En daarna zei hij tegen de leerling: “Kijk, je moeder!”
En van toen af nam de leerling haar bij zich op.
28 Hierna, wetend dat alles nu was voleindigd,
zei Jezus – opdat de Schrift voleindigd zou worden:
“Ik heb dorst.” [Ps.42,3]
29 Er stond daar een kruik met wijnazijn.
Ze staken een spons, vol met die wijnazijn,
op een hysopstengel
en brachten die aan zijn mond. [Ps.69,22]
30 Toen Jezus van de wijnazijn genomen had,
zei hij: “Het is voleindigd.”
Toen boog hij het hoofd,
en gaf de levensadem over.
31 Aangezien het voorbereidingsdag was [van de sabbat],
bovendien een grote sabbat [van het Paasfeest],
wilden de Joden niet dat de lichamen aan het kruis bleven.
Daarom vroegen ze aan Pilatus
dat hun de benen zouden gebroken worden [waardoor ze sneller stierven]
en weggenomen worden.
32 Dus kwamen de soldaten
en sloegen zowel van de een als van de ander die met hem gekruisigd waren,
de benen stuk.
33 Maar toen ze bij Jezus kwamen
en zagen dat hij reeds gestorven was,
braken zij van hem de benen niet stuk.
34 Maar één van de soldaten doorstak met een speer zijn zijde.
Onmiddellijk kwam er bloed en water uit.
De dag na Pinksteren viert de kerk Maria als haar eigen moeder. Ze is geen moeder die op de voorgrond treedt, maar een moederlijke aanwezigheid die blijft wanneer alles wankelt. Terwijl angst, verlies en verwarring de harten vullen, bewaart zij de ruimte waarin mensen opnieuw adem kunnen halen.
Misschien wordt ‘kerk’ wel precies daar geboren: waar mensen elkaar niet loslaten in het donker, waar iemand een thuis wordt voor de ander, waar verdriet niet wordt opgelost maar gedragen. Zo ontstaat er onder het kruis een nieuwe verbondenheid, gebouwd op liefde die nabij blijft, zelfs in de onmacht.
Maria belichaamt die stille trouw. Zij herinnert de leerlingen eraan dat G-ds Geest niet alleen vuur is dat naar buiten drijft, maar ook warmte die van binnenuit geneest. Zij toont ons dat er iets van G-ds nieuwe wereld groeit daar waar mensen elkaar zien, ontvangen en bewaren in hun hart.
Zonder die zorgzame nabijheid raakt kerk al snel buiten adem. Kerk zijn is immers niets anders dan elkaar liefhebben en zo de gloed van G-ds liefde voelbaar maken in de wereld.

