Mc.4,1-20 (28/01/2026)
1 Opnieuw begon Jezus onderricht te geven langs het meer.
Er verzamelde zich zo’n menigte rondom hem,
dat hij in een boot stapte en daarin ging zitten, op het meer,
terwijl de menigte op het land langs het meer bleef.
2 Hij onderrichtte vaak in gelijkenissen.
Nu zei hij in zijn onderricht tegen hen:
3 “Luister!
Kijk, een zaaier ging uit om te zaaien.
4 En het gebeurt, tijdens het zaaien,
dat een deel op de weg viel.
De vogels kwamen en aten het op.
5 Een ander deel viel op steenachtige grond
waar het niet veel aarde had.
Onmiddellijk kwam het op,
omdat het niet veel diepte had,
6 maar toen de zon opkwam, verschroeide het,
omdat het geen wortel had.
7 Een ander deel viel tussen de dorens.
Die kwamen op en verstikten het,
zodat het geen vrucht gaf.
8 Een ander deel viel in goede aarde.
Opkomend en groeiend, gaf het vrucht,
deels dertig-, deels zestig-, deels honderdvoudig.”
9 En hij besloot:
“Wie oren heeft om te horen, moet luisteren!”
10 Maar toen hij alleen was,
stelden zij die samen met de twaalf bij hem waren,
hem vragen over de gelijkenissen.
11 Hij zei hen:
“Aan jullie is het gegeven
het geheimenis van het koningschap van God te kennen,
maar voor wie buiten staat, gebeurt dit in gelijkenissen,
12 opdat [vervuld zou worden wat geschreven staat, dat]
zij kijken, maar niet zien,
en horen, maar niet begrijpen,
opdat zij zich niet hoeven te bekeren
en hun zonden vergeven worden.” [Jes.6,9-10]
13 Verder zei hij tegen hen:
“Als jullie de kunst niet verstaan van deze gelijkenis,
hoe zul je dan alle gelijkenissen vatten?
14 De zaaier zaait het woord.
15 Sommigen zijn als [het zaad dat] op de weg [valt]:
Het woord wordt wel gezaaid,
maar wanneer zij het gehoord hebben,
komt onmiddellijk de tegenstander [satan]
en neemt het woord weg dat in hen is gezaaid.
16 Anderen zijn als [het zaad dat] op steenachtige grond [is gezaaid]:
Wanneer zij het woord horen,
nemen zij het onmiddellijk in vreugde aan,
17 maar zij hebben geen wortel
– het zijn mensen van het moment.
Wanneer er vervolgens omwille van het woord
verdrukking of vervolging komt,
struikelen ze onmiddellijk.
18 Anderen zijn als [het zaad dat] tussen de dorens [is gezaaid]:
Zij horen het woord,
19 maar de zorgen van deze wereld,
de begoocheling van de rijkdom
en de begeerte naar allerlei zaken
dringen binnen en verstikken het woord
en het blijft vruchteloos.
20 Anderen zijn als [het zaad dat] in de goede aarde [valt]:
Zij horen het woord en verwelkomen het.
Zij dragen vrucht,
soms dertig-, soms zestig-, soms honderdvoudig.
Hij kan het niet laten. Telkens weer geeft Jezus onderricht over ‘het koningschap van God’. En telkens weer is er een menigte die zich rondom hem verzamelt. Ze willen hem ‘horen’. Maar hij weet dat horen alleen niet volstaat. Wie werkelijk wil verstaan, moet luisteren met het hart van een leerling, dat is: open en ontvankelijk.
In dat luisteren verschijnt G-d als een zaaier die blijft geven, ongeacht de staat van de bodem. Soms lijkt de aarde gesloten, en toch wordt er gezaaid.
Deze beweging van onvoorwaardelijk geven, raakt aan alles wat wij zijn, ook aan de onontgonnen gebieden waar we hem liever buiten houden. Groei vraagt daarom eerlijk zelfonderzoek én geduld, wetende dat G-d altijd zal blijven zaaien.
Zo nodigt Jezus ook ons uit om aarde te worden: bereid om omgewoeld te worden, om los te laten en vergeven te worden. In die openheid wordt vruchtbaar leven gewekt, voor onszelf en voor anderen.

