Mc.7,14-23 (11/02/2026)
14 Toen hij de menigte weer bij zich had geroepen
[na een onderhoud met de farizeeën (v.1-13)],
zei hij tegen hen:
“Luister allen naar mij, en kom tot begrip!
15 Niets wat van buitenaf de mens binnenkomt
kan hem ontwijden,
maar wat van binnenuit de mens buitengaat,
dat kan hem ontwijden.
16 Wie oren heeft om te horen, moet luisteren!”
17 Toen hij van de menigte thuis was gekomen,
vroegen zijn leerlingen hem naar die gelijkenis.
18 Hij zei tegen hen: “Zijn jullie ook zo onbegrijpend?
Weet je niet dat al wat van buitenaf de mens binnenkomt,
hem niet kan verontreinigen?
19 Want het gaat niet binnen in zijn hart,
maar in zijn buik
en gaat dan weer naar buiten, alle voedsel reinigend.
20 Maar wat van uit de mens naar buiten komt,
dat ontwijdt hem.
21 Want uit het hart van de mensen
komen kwade gedachten naar buiten:
ontucht, diefstal, moord,
22 overspel, hebzucht, boosaardigheid,
bedrog, losbandigheid, een kwaad oog [afgunst],
laster, hoogmoed, verdwaasdheid.
23 Al deze slechte dingen gaan van binnen naar buiten
en zíj ontwijden de mens.”
Jezus spreekt de mensen toe en brengt hen terug naar de kern: niet naar wat zichtbaar is, niet naar regels of gebruiken, maar naar het hart. In de Bijbel is het hart immers het diepste van de mens, de plaats waar gedachten groeien, waar keuzes rijpen en waar het leven richting krijgt. Van daaruit leven wij. Wat wij doen en zeggen, verraadt wat in ons leeft. Niet wat van buitenaf komt, maakt ons onzuiver, maar wat wij meedragen aan gedachten en neigingen. Daarom kan Jezus niet zwijgen wanneer de buitenkant het dreigt over te nemen. Hij nodigt ons uit tot eerlijkheid, tot onderscheiding, tot verantwoordelijkheid. Want alleen een hart dat zich laat raken, kan veranderen. Waar het hart zich opent voor G-d, vallen binnen- en buitenkant samen. Daar ontstaat ruimte voor liefde, voor verbondenheid, voor Léven.

